Beverpels  Share

Het museum in de Wildewoudstraat is gesloten, maar de voorbereidingen voor het nieuwe museum in de Berlaimontlaan zijn volop bezig. Eén buitengewoon betaalmiddel mag daar zeker niet ontbreken: de beverpels. In afwachting dat het nieuwe museum zijn deuren opent, leest u er hier reeds alles over in de januariaflevering van ‘In de kijker’.

In de collectie goederengeld van het museum van de Nationale Bank van België kun je sinds kort een beverpels uit Canada aantreffen. De huiden van de bever werden vroeger niet alleen gebruikt als kleding, maar ook als geld.

Beverpels uit collectie goederengeld

Beverpels uit collectie goederengeld

Er zijn twee soorten bevers: de Noord-Amerikaanse (Castor canadensis) en de Europese/Aziatische (Castor fiber).
Bevers hebben een grote invloed op hun omgeving: ze bouwen grote dammen om hun hol in onder te brengen en jagen in het stilstaand water. Met hun grote tanden en krachtige kaken knagen ze moeiteloos in een tiental minuten bomen om met een diameter van ongeveer 15 cm.

De Canadese bever is het grootste knaagdier op het continent na de Capibara: het is tussen de 70 en de 90 cm groot. Het dier werd niet alleen gejaagd voor zijn warme pels maar ook om zijn geurklieren, castoreum of bevergeil. Deze stof wordt in de parfumindustrie en de medische wereld gebruikt.

Hoewel nog veel andere dierenhuiden werden verhandeld, beschouwde men de beverpels als de top. Zowel de bovenpels (castor gras) als de onderkant (duvet) waren kostbaar. Vooral de onderpels was in trek omdat het ideaal bleek om tot vilt te verwerken voor de fabricatie van allerlei hoeden.
In de 19de eeuw werden de hoge hoeden een echte rage bij de heren, ze waren super trendy en straalden klasse uit. Exemplaren van echt bevervel waren bovendien waterdicht, in tegenstelling tot goedkopere versies gemaakt van konijnenvel. Nadeel was dat er bij het proces van de fabricatie van de hoeden kwik gebruikt werd, wat kwikvergiftiging veroorzaakte bij de hoedenmakers. De symptomen hiervan zijn o.a. gebrek aan coördinatie en spraak tot het verlies van de zintuigen. Hiervan komt de Engelse uitdrukking “mad as a hatter”.

Hoge hoed uit beverpels

Hoge hoed uit beverpels

De enorme vraag naar bever zorgde ervoor dat het dier in Europa reeds vanaf de 16de eeuw zo goed als uitgeroeid was. Dus was het een godsgeschenk toen de Franse en Engelse kolonisten in Canada aan het begin van de 17de eeuw grote groepen bevers ontdekten. Handel in allerlei dierenhuiden werd er dan ook snel een lucratieve bezigheid: een beverpels werd voor 20 maal de aankoopprijs in Canada doorverkocht in Europa.

Eén firma in het bijzonder maakte hiervan haar “core business”.

The Hudson Bay Company (opgericht in 1670) was een onderneming die zich bijna uitsluitend bezighield met het verhandelen van pelzen. Ze bestaat nog steeds en is als dusdanig een van de oudste bedrijven ter wereld.
De HBC controleerde eeuwenlang de handel in huiden in het Engelse gedeelte van Noord-Amerika, het zogenaamde ‘Rupert’s land’. Deze naam komt van prins Ruprecht van de Palts, neef van koning Karel II van Engeland en de eerste directeur van de Hudson Bay Company. Met een oppervlakte van ongeveer 4 miljoen vierkante kilometer omvat het gebied bijna een derde van het huidige Canada, waaronder de Hudsonbaai en het volledige achterland.
Via een netwerk van nederzettingen, forten en handelsposten had het bedrijf ongeveer tweehonderd jaar het monopolie in de handel in dierenhuiden, hoofdzakelijk beverpels.

De felbegeerde beverpels werd al snel een ruil- en betaalmiddel: inheemse volkeren ruilden graag dierenhuiden voor metalen voorwerpen zoals messen en bijlen. Later breidde dit uit naar geweren, wollen dekens, suiker, schoenen en andere voorwerpen.
Beverpelzen werden ook waardemeter: het kostte bijvoorbeeld 12 beverpelzen voor één geweer, of één paar schoenen. Een zilveren oorbel was een beverpels.
Uiteindelijk gebruikte men de zogenaamde made beaver als rekeneenheid van de HBC, één made beaver (MB) stond voor één winterpels van prima kwaliteit. Zomerpelzen waren stukken minder waard dan winterpelzen, die natuurlijk veel dikker waren. De meeste voorwerpen en diensten die verhandeld werden in het territorium van de HBC werden gewaardeerd en uitgedrukt in made beaver.
Tussen 1774 en 1784 was het salaris van een ambtenaar in Franklin (gebied dat zich uitstrekte over het oosten van het huidige Tennessee) zo’n 300 MB per jaar.

In de plaats van eigenlijke pels begon de Hudson Bay munten uit te geven, geslagen uit koper of soms uit karton gesneden als er geen koper voorradig was. De waarde, uitgedrukt in made beaver en de initialen van de onderneming staan op de munt vermeld.

MB - made beaver munt

MB – made beaver munt

In de 19de eeuw verminderde de waarde van de made beaver geleidelijk, meer en meer gebeurden de betalingen in cash, mede door het verder koloniseren van de Verenigde Staten en het gebruik van de dollar.
Ondertussen waren ook andere ondernemingen actief in de handel in dierenhuiden, en het werd langzaam duidelijk dat de dieren waarop jacht werd gemaakt aan het verdwijnen waren, zoals ook de bizon in Noord-Amerika.

Een verandering in de mode bracht soelaas voor de bever. Vanaf het midden van de 19de eeuw gaf men de voorkeur aan zijde voor de afwerking van de hoge hoeden, wat meteen het einde inluidde van de 250 jaren handel in dierenhuiden uit Canada. De traditionele ‘leveranciers’, de indianen, werden verdreven uit hun jachtgebieden, waardoor het aanbod ook sterk verminderde.

Toen de jacht op de Canadese bever begon, waren er naar schatting zes miljoen dieren, maar rond het midden van de 19de eeuw waren ze bijna uitgeroeid.

Canada erkent de grote rol die de bever heeft gespeeld in de ontwikkeling van het land. Op de eerste postzegel stond een bever (three pence beaver), en op de keerzijde van de 5 cent munt die in circulatie is sinds 1937 vind je een mooie beeldenaar van het dier.

5 cent munt Canada

5 cent munt Canada

Eerste postzegel Canada

Eerste postzegel Canada

Met de beverpopulatie gaat het weer beter in Canada: het aantal dieren wordt op een 15 miljoen geschat.

 

 

 

 

 

Bibliografie

Ann Vandorpe
medewerker museum