100 jaar ‘Groote Oorlog’: de Nationale Bank in oorlogstijd  Share

Printversie (pdf)

Wachtrijen voor de Nationale Bank, eind juli 1914

Wachtrijen voor de Nationale Bank, eind juli 1914

Met 2014 in het vooruitzicht kan u er niet omheen: het is bijna een eeuw geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Deze historische gebeurtenis wordt bijgevolg in heel België op alle mogelijke manieren herdacht. Deze ‘in de kijker’ vertelt u hoe het de Nationale Bank verging tijdens de ‘Groote Oorlog’.

De directe aanleiding van WOI, de moord op de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger en zijn echtgenote op 28 juni 1914, bracht onmiddellijk opschudding teweeg op de Europese financiële markten. Ook aan de Nationale Bank van België kwam er een zogenaamde bankrun. De bevolking verloor immers zijn vertrouwen in het biljet en wilde deze zo snel mogelijk omruilen tegen metaalgeld. Bankhistoricus Pierre Kauch schreef hierover: “In de week van 27 juli tot 1 augustus werd uit de schatkamers van de Wildewoudstraat een bedrag van meer dan 50 miljoen zilver weggehaald dat onmiddellijk werd opgepot.” Men hoopte immers dat de metaalwaarde de nominale waarde van de munten zou overstijgen.

De Nationale Bank had de oorlog voelen naderen en al in 1912 geheime maatregelen genomen. Er werden biljetten van 5 frank voorbereid die in augustus 1914, ter vervanging van de zilveren 5 frank stukken, in omloop kwamen. Deze biljetten mochten echter niet baten, de zilver- en pasmuntvoorraad van de Bank dreigde namelijk volledig uitgeput te raken. Bijgevolg werd er een wet ingevoerd die de Bank van haar plicht onthief om bankbiljetten in muntstukken om te wisselen. Spaarders bleven hun geld afhalen en men begon nu ook biljetten op te potten.

Provinciaal Steun- en Voedingscomité / Stad Gent, s.d.

Provinciaal Steun- en Voedingscomité / Stad Gent, s.d.

Het Duitse gevaar kwam steeds dichterbij en de metaalvoorraad, de clichés en de reeds gedrukte biljetten van de Bank werden in het geheim, om de bevolking niet ongeruster te maken, naar de vestiging in Antwerpen gebracht. Op 20 augustus marcheerden de Duitse troepen Brussel binnen en de Nationale Bank sloot haar loketten. Op vraag van de Brusselse banken, om de bevolking te kalmeren, gaf de Nationale Bank vanaf september nieuwe biljetten uit. Deze waren van het zogenaamde Rekeningen-couranttype, zo genoemd omdat ze gedekt waren door de sommen die door particulieren bij de Bank aangehouden werden. De vijf coupures gingen van 1 tot 1000 frank. Vooral de briefjes van 1 en 2 frank waren broodnodig voor handelstransacties en om lonen uit te betalen.

België was ondertussen een bezet land en de Duitse mark werd als wettig betaalmiddel ingevoerd. Er werd een vaste wisselkoers ingesteld tegenover de Belgische frank, waarbij 1 mark 1,25 frank waard was.
Intussen had de Nationale Bank haar metaalvoorraad, drukplaten en biljetten via Antwerpen in veiligheid gebracht bij de Bank of England in Londen. De bezetter beval de Belgische regering in Le Havre om dit alles terug naar België te halen. De regering weigerde en vervolgens ontnamen de Duitsers de Nationale Bank haar emissierecht. Gouverneur Théophile de Lantsheere werd officieel uit zijn ambt ontzet. Vice-gouverneur Leon Van der Rest nam zijn taak over voor de bezettingsoverheid. Het uitgiftevoorrecht werd toevertrouwd aan de Société Générale, die hiervoor een emissiedepartement oprichtte. Hoewel de Société Générale de uitgever was, werden haar biljetten gedrukt op de persen van de Nationale Bank. Deze verschenen vanaf januari 1915 in omloop en ze bestonden eveneens uit zes coupures van 1 tot 1000 frank.

Zoals hierboven beschreven, potte de bevolking niet enkel munten maar ook biljetten op. Bovendien lagen de werkplaatsen van de Koninklijke Munt stil en legde de oorlogsindustrie beslag op alle metaal. Daarnaast waren de deposito’s door het bankmoratorium geblokkeerd en hadden de Duitsers zich de kasvoorraden van vele financiële instellingen toegeëigend. Tenslotte zorgden verkeersmoeilijkheden, inherent aan de oorlog, ervoor dat de biljetten moeilijk in de provincies raakten. Dit zorgde uiteraard voor geldschaarste. Daarom zagen meer dan 600 gemeentebesturen zich genoodzaakt eigen biljetten uit te geven. Dit is het zogenaamde noodgeld. De meest gemaakte coupures waren 1, 2 of 5 frank of kleiner dan 1 frank. Met noodgeld werd dus in de eerste plaats het gebrek aan pasmunt verholpen. De gemeenten gebruikten eveneens noodgeld om hun personeel te betalen en om vluchtelingen, werklozen en hulpbehoevenden te steunen. Ook diende dit noodgeld om militievergoedingen en door de Duitsers opgelegde oorlogsschattingen te betalen. Daarnaast waren er ook voedsel- en hulporganisaties die voedsel- en geldbonnen uitgaven en ondernemingen en fabrieken die salaris- en aankoopbons uitgaven.

Soepbedeling in de Invorderingskas, 1917

Soepbedeling in de Invorderingskas, 1917

Al in 1916 werd er binnen de Nationale Bank een werkgroep opgericht die plande wat er allemaal moest gebeuren wanneer de oorlog voorbij zou zijn. De Bank beloofde eveneens de overheid de nodige voorschotten te verschaffen voor de wederopbouw.
De Bank speelde bovendien ook een sociale rol tijdens de oorlog. Leon van der Rest was ondervoorzitter van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. Tijdens de winter van 1916-17 bedeelde de Bank in haar lokalen iedere dag meer dan 1000 gratis koppen soep. Daarnaast konden steden, gemeenten, provincies en ondernemingen op de logistieke hulp van de Bank rekenen. Liefdadigheidsinstellingen die het niet breed hadden, konden eveneens op haar steun rekenen.

Het emissiedepartement van de Société Générale werd op 20 november 1918 ontbonden en haar bankbiljetten werden geleidelijk omgewisseld tegen deze van de Nationale Bank. In 1915 was namelijk afgesproken dat het emissiedepartement binnen drie maanden na het einde van de oorlog zou sluiten. Hoewel het de bedoeling was van de regering om na de oorlog zo snel mogelijk komaf te maken met het noodgeld, zou het nog tot 1926 duren vooraleer alle noodgeld uit de omloop was gehaald. Een nog groter probleem was de enorme hoeveelheid Duitse marken, die onder andere aan de basis lagen van de grote naoorlogse inflatie. Maar dat is een ander verhaal, voor een volgende keer.

De eerste algemene vergadering van de raad van bestuur van de Bank na de Eerste Wereldoorlog, geschilderd door Herman Richir, 1925

De eerste algemene vergadering van de raad van bestuur van de Bank na de Eerste Wereldoorlog, geschilderd door Herman Richir, 1925

Nina Van Meerbeeck
Museumgids

Bibliografie

  • Buyst, E., Maes I., Pluym W. & Danneel M., De Bank, de frank en de euro, Tielt, 2005.
  • Te Boekhorst B., Danneel M. & Randaxhe Y., Adieu frank. Het boeiende verhaal van België en zijn geld, Tielt, 2001.
  • De Clercq L., “Betalingsmiddelen in België tijdens de Eerste Wereldoorlog”, in Rochet B. & Tixhon A., La petite Belgique dans la Grande Guerre. Une icône, des images, Conference papers (Namur, 24-27 November 2010), Namur, 2012, 200-239.
  • Herdenking van de Eerste Wereldoorlog in België