- Museum of the National Bank of Belgium - https://www.nbbmuseum.be/nl -

Spelen met geld

Het Museum van de Nationale Bank toont de bezoeker dat ons geld een rijke geschiedenis kent, en dat het bestaat in allerlei maten en vormen. In zaal 4 van het Museum kan u bijvoorbeeld het kaartengeld bewonderen dat werd gebruikt tijdens de Franse Revolutie. Kaartengeld deed zijn intrede in de verschillende overzeese kolonies van Frankrijk en Nederland op het einde van de 17de eeuw waar het ontstond als een vorm van ‘noodgeld‘. Deze ‘In de kijker‘ richt zich op deze bijzondere kaarten, waarvan het bestaan niet altijd een lang leven beschoren was.

De eerste vorm van papiergeld in de Franse kolonies verscheen in Québec, dat toen nog bekend stond als Nouvelle-France. Het loon van de gestationeerde soldaten werd uitbetaald in Frans geld, dat moest worden ingevoerd uit het Europese moederland. In de winter werd het geldtransport per boot echter bemoeilijkt door de barre weersomstandigheden. In 1685 vond intendant Jacques de Meulles een creatieve oplossing om het hoofd te kunnen bieden aan het nijpende geldtekort. De verschuldigde bedragen schreef hij telkens neer op verschillende speelkaarten. Deze golden als papiergeld wanneer de kaart voorzien was van een gestempelde lelie (of fleur-de-lis) met bijhorende kroon en als ze de handtekeningen droegen van de intendant, gouverneur en schatbewaarder. Dit betalingsbewijs kon daarna in klinkende munt worden uitbetaald zodra de schepen met geld het Canadese vasteland bereikten.

Figuur 1: een kaart van 30 sols, uitgegeven 14 juli 1765 © Currency Museum of the Bank of Canada [1]

Figuur 1: een kaart van 30 sols, uitgegeven
14 juli 1765
© Currency Museum of the Bank of Canada

Het systeem deed dienst tot eind 1686, maar werd terug opgepikt tussen 1689 en 1717. De bevolking raakte meer en meer vertrouwd met het kaartengeld, waardoor het op geregelde tijdstippen werd uitgegeven. Men schat dat de totale waarde van de verschillende speelkaarten in omloop zo’n twee miljoen pond bedroeg. De denominatie van sommige speelkaarten werd zelfs vastgelegd op 100 pond. Het is de populariteit van het papiergeld dat uiteindelijk ook tot zijn (tijdelijke) ondergang zou leiden.

Door de grote hoeveelheid papiergeld die in de loop der jaren in omloop werd gebracht, daalde zijn waarde. Dit had als gevolg dat het kaartengeld werd gedevalueerd in 1717. De Franse koning Lodewijk XV liet in een koninklijk decreet vastleggen dat de waarde van de speelkaarten nog maar de helft bedroeg van het metaalgeld aangevoerd uit het moederland. De Franse staat haalde daarna het geld uit omloop door alle kaarten op te kopen.

De uitvoering van het decreet betekende echter niet het volledige einde van dit eigenaardige papiergeld. De kaarten verwierven, op vraag van de handelaars, opnieuw een functie als betaalmiddel in 1729. Deze keer ging het echter niet om speelkaarten, maar werden blanco kaarten gebruikt die soms in twee werden geknipt of waarvan de hoeken werden weggenomen. Een volledige kaart verkreeg de waarde van 24 pond, een halve kaart was nog 12 pond waard. De grootte van de kaart was dus bepalend voor het overeenstemmende bedrag dat aan de kaart werd toegekend. Deze nieuwe vorm van papiergeld werd in de Nieuwe Wereld algemeen aanvaard tot en met de overname van de Franse kolonie door Groot-Brittannië.

Figuur 2 : kaartengeld uit Suriname © Numismatisch Museum van de Centrale Bank van Suriname [2]

Figuur 2 : kaartengeld uit Suriname
© Numismatisch Museum van de Centrale
Bank van Suriname

In een groot deel van het huidige Canada was het kaartengeld, dat oorspronkelijk fungeerde als noodoplossing, een vertrouwd betaalmiddel geworden bij de bevolking. In de Nederlandse kolonie Suriname kende de opmars van het kaartengeld een gelijkaardige evolutie.

Het Surinaamse papiergeld droeg, net zoals zijn Canadese variant, een handtekening met een stempel van een wapenschild. Oorspronkelijk werd de waarde van het geld vastgelegd op 1, 2, 50 en 10 gulden. Later werden ook extra papieren uitgegeven met een andere waarde.

Het Surinaamse papiergeld werd ook vaak gemaakt van speelkaarten, waarop we de klassieke afbeeldingen van het kaartspel zoals heren, boeren, ruiten en klavers krijgen te zien. Hoewel hier geen sluitend bewijs voor bestaat, dienden de afbeeldingen op de speelkaarten vermoedelijk als hulpmiddel voor de analfabete bevolking die zo makkelijk de waarde van het geld kon vaststellen.

De uitgave van het Surinaamse kaartengeld verliep niet altijd probleemloos. Het eerste papiergeld werd telkens gedekt door een wisselbrief. Vanaf 1761 startte echter de uitgifte van kaartengeld dat niet langer werd gedekt. Het koloniale bestuur gebruikte de kaarten om te voorzien in de groeiende behoefte aan geld. Dit had als gevolg dat er gauw een teveel was aan de Surinaamse kaarten waardoor de waarde van het geld pijlsnel daalde. Ondanks de schommelende wisselkoers van de kaarten, bleef men trouw aan het gebruik ervan. Toen de kolonie bezet werd door de Britten, zagen ook zij zich genoodzaakt om nieuw kaartengeld uit te geven om zo een financieel tekort te vermijden.

Figuur 3: bon de confi ance, 15 sols, uitbetaalbaar in assignaten, 1791, Saint-Maixent, Frankrijk © Museum van de Nationale Bank België [3]

Figuur 3: bon de confiance, 15 sols, uitbetaalbaar
in assignaten, 1791, Saint-Maixent, Frankrijk
© Museum van de Nationale Bank België

Toen Nederland opnieuw de controle over de kolonie verwierf, ging men op zoek naar een oplossing om op een vlotte manier te voorzien in de geldnood van de bevolking. Dit betekende ten slotte ook het einde van het Surinaamse kaartengeld dat vanaf 31 mei 1828 volledig werd ingetrokken. Onder de inheemse bevolking bleef de herinnering aan het kaartengeld leven via mondelinge overlevering. Zo werd het bedrag ƒ 3,20 door hen steevast benoemd als ‘wan bigi karta’.

Het experiment met het kaartengeld kan geen onverdeeld succes worden genoemd. Een financieringstekort werd, in de kolonies waar men het kaartengeld gebruikte, algauw opgelost door extra kaarten te produceren. Een te grote uitgave ervan leidde echter tot een daling van de waarde. Het kaartengeld werd uiteindelijk terug opgepikt in Frankrijk, door een vijftal gemeenten tijdens de Franse Revolutie waar ze werden gebruikt als Billets de confiance. Deze vertrouwensbiljetten waren niet gedekt, maar konden wel worden ingewisseld tegen assignaten, die andere vorm van papiergeld die in deze periode voor het eerst werd uitgegeven. De uitgifte van deze biljetten verliep echter ook niet zonder problemen. De staat besloot zich niet langer in te laten met de productie van papiergeld. De kaarten herwonnen hun oorspronkelijke functie en konden enkel nog maar dienen waarvoor ze vandaag nog steeds worden gebruikt, namelijk om een kaartje te leggen.

Veronique Deblon
Museumgids

Bibliografie