Het geld en bezit van onze voorouders. Nieuw archeologisch onderzoek  Share

Munten, bezitsstructuren, het dagelijkse leven: het zijn onderwerpen die archeologen ten zeerste interesseren. Onlangs verschenen er twee studies die dat nog maar eens bewijzen. Ze leveren nieuwe inzichten voor het onderzoek naar het verleden, respectievelijk de Gallo-Romeinse periode en de Nieuwe Steentijd.

Begin juni werden in het Gallo-Romeins Museum te Tongeren de resultaten gepresenteerd van een recent onderzoek naar Keltische goudschatten uit de Lage Landen (goudschattennl25.05.20122.pdf).

Tussen 2008 en 2012 werden ruim 560 munten en verschillende sieraden uit acht schatten door een team van specialisten van de Vrije Universiteit Amsterdam, de Katholieke Universiteit Leuven, het Gallo-Romeins Museum van Tongeren en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium onderzocht.
N361Voorzijde
De schatten dateren allemaal uit de tijd van de veroveringen door Julius Caesar (57-51 v. C.). Er moeten in die tijd honderdduizenden goudmunten gecirculeerd hebben. De schatten bewijzen dat Caesar zich schuldig gemaakt heeft aan uitgebreide plunderingen in zijn zoektocht naar goud. Het ging zelfs zo ver dat de enorme omvang aan Keltische oorlogsbuit de goudprijs in Rome deed kelderen. Na de Romeinse overwinning is er geen spoor meer van de oorspronkelijk rijke Keltische goudcirculatie. Deze vernieuwende bevindingen werden samen met de andere resultaten van het onderzoek gebundeld in het boek: N. ROYMANS, G. CREEMERS en S. SCHEERS (red.), Late Iron Age gold hoards from the Low Countries and the Caesarian conquest of Northern Gaul, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2012. Ze werpen ook een nieuw licht op de kleine collectie Keltische munten die in het museum van de Nationale Bank te kijk ligt.
Een tweede archeologische studie (R.A. BENTLEY, P. BICKLE, e.a., Community differentiation and kinship among Europe’s first farmers, in: Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA, 109 (24), 2012, p. 9236-9330; www.pnas.org. bewijst dat er in het Neolithicum onder de eerste landbouwers al een duidelijk onderscheid bestond tussen arm en rijk en dat er nauwelijks sociale mobiliteit was. Met andere woorden, wie arm opgroeide, was bij zijn overlijden nog steeds arm; wie daarentegen rijk geboren werd, stierf zelf ook rijk. Archeologen van de universiteiten van Bristol, Cardiff en Oxford hebben meer dan driehonderd skeletten onderzocht van verschillende vindplaatsen uit de Nieuwe Steentijd in Centraal-Europa. Ze vergeleken de samenstelling van hun tandglazuur. Dat wordt bepaald door het dieet tijdens de kindertijd. Ze gingen ook na hoeveel en welke grafgiften aan de overledene werden meegegeven. De vergelijking tussen beide leverde bovenstaande conclusies op.
N361Keerzijde