Het leven van een bankbiljet  Share

Printversie (pdf)

We kennen natuurlijk allemaal de bankbiljetten die we iedere dag gebruiken. Ze steken in onze zakken of in onze portefeuille, worden op onze bankrekening geplaatst en maken deel uit van ons dagelijkse leven. Maar wat weten we eigenlijk echt over deze bankbiljetten ? Wie zorgt er, bijvoorbeeld, voor de productie van het geld ? Wie beslist er over het in omloop brengen ? Wat is de levensduur van een biljet ? En, waar komen onze biljetten uiteindelijk terecht ? Ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de eurobiljetten richt deze ‘In de kijker’ zich op het leven van dit veelgebruikte betaalmiddel.

De Nationale Bank drukt de bankbiljetten sinds 1851. Vroeger waren dit Belgische franken, terwijl het vandaag euro’s zijn. De productie van deze laatste rust niet enkel op de schouders van België, maar gebeurt gemeenschappelijk. Sinds 2002 voorziet elke centrale bank van de eurozone in een deeltje van de jaarlijkse productie van een of meerdere coupures. De Europese Centrale Bank verdeelt elk jaar de verschillende coupures onder de verschillende banken. Het is de centrale bank van elk land die de productiekosten op zich neemt van de biljetten die aan hen werden toegewezen. In 2012 worden in de Belgische drukkerij biljetten van 50 euro (een coupure die hier wordt gedrukt sinds het begin) en 5 euro gedrukt.

Drukkerij NBB

Drukkerij NBB

Het Eurosysteem, en meer bepaald de centrale banken van de zeventien landen van de eurozone, is gemachtigd om ons (fi duciair) geld uit te geven. De centrale banken brengen de biljetten en munten in omloop via het bankensysteem. De Nationale Bank is dus verantwoordelijk voor de uitgifte van de biljetten en munten op Belgisch grondgebied. Dit gebeurt in functie van de vraag van de commerciële banken, die op hun beurt rekening houden met de vraag naar geld van het publiek. De Nationale Bank beslist dus niet zelf hoeveel munten en biljetten in omloop worden gebracht. De geldhoeveelheid in omloop hangt af van de economische conjunctuur, de keuze van het publiek inzake de verschillende betaalmiddelen of van de uitgaven van de huishoudens die wisselen naargelang het seizoen. Dit in tegenstelling met vroeger, wanneer onze bankbiljetten konden worden gewisseld in goud. Het land van uitgifte moest dus een grote goudreserve bezitten. Vandaag is dit niet meer het geval. Enkel de vraag bepaalt de uitgifte van de hoeveelheid geld.

De letter Z van het serienummer verwijst naar de centrale bank van België (NBB) die verantwoordelijk is voor de productie van dit biljet

De letter Z van het serienummer verwijst naar de centrale bank vanBelgië (NBB) die verantwoordelijk is voor de productie van dit biljet

Dankzij het serienummer op de keerzijde van het biljet is het mogelijk te traceren welke centrale bank verantwoordelijk is voor de uitgifte ervan. Dit betekent echter niet dat het bankbiljet ook in dit land werd geproduceerd. Deze centrale bank, voor wie het biljet werd gemaakt, is te achterhalen door de eerste letter van het serienummer. Voor België is dit de Z. De toewijzing van deze letters gebeurde bij de invoering van de eurozone, toen er nog maar 12 landen deelnamen. De verschillende landen werden eerst in alfabetische volgorde geplaatst in de offi ciële taal van het land. Daarna werd de eerste van de lijst (België) de laatste letter van het alfabet toegekend. Dit is de reden waarom de Z op de biljetten naar België verwijst. De vijf landen die pas later tot de eurozone zijn toegetreden, kregen een letter toegewezen volgens de volgorde van toetreding. De hoogste letter in het alfabetische lijstje (de D) refereert naar Estland, het recentste land dat in de eurozone is gestapt. Waar het biljet effectief werd gedrukt, kunnen we herkennen aan een code op de voorzijde
van het biljet. Opnieuw is het de eerste letter van deze code waardoor we kunnen afl eiden in welke drukkerij het biljet werd geproduceerd (voor de drukkerij van de NBB is dit de T).

Recyclage van biljetten

Kredietinstellingen, zoals bijvoorbeeld de banken, moeten zorgvuldig de biljetten controleren vooraleer zij deze herverdelen onder hun klanten. Zo vermijden ze dat vervalsingen en/of ongeschikte coupures terug in circulatie worden gebracht.

De groene rugleuning van deze bank werd gemaakt op basis van gerecycleerde biljetten

De groene rugleuning van deze bank werd gemaakt op basis van gerecycleerde biljetten

Gemiddeld passeert elk bankbiljet één tot drie maal per jaar aan de loketten van de Nationale Bank van België. Daar worden zij systematisch en op volledig geautomatiseerde wijze gecontroleerd. Vuil of beschadigd papier wordt vernietigd en vervangen door nieuwe coupures. Ter indicatie : in 2011 hebben de nationale banken van het Eurosysteem in totaal ongeveer 5,9 miljard biljetten ongeschikt verklaard, uit circulatie gehaald en vervangen door nieuwe. Hierbij moet worden opgemerkt dat de Bank enkel de biljetten inwisselt waarvan meer dan de helft van de oppervlakte is overgebleven en op voorwaarde dat de schade niet opzettelijk werd toegebracht.

Een bankbiljet heeft een gemiddelde levensduur van iets meer dan twee jaar. Dit is echter zeer sterk afhankelijk van het type bankbiljet en de manier waarop het wordt gebruikt. De coupures van 5 en 10 euro hebben het meeste te lijden. Zij worden veel vaker gebruikt dan bijvoorbeeld de biljetten van 500 euro. En wat gebeurt er dan met de biljetten aan het einde van hun leven ? Niet erg veel. Het merendeel wordt vernietigd, al worden hier soms nog zaken van gemaakt, zoals bijvoorbeeld de groene bankjes in zaal 4 van het museum. Wie dus op deze banken plaatsneemt, rust even uit op een groot pak geld.

En wat met vervalsingen ?

Wanneer een vals biljet eenmaal geïdentifi ceerd is, worden de vervalsingen geanalyseerd, gecatalogiseerd en overgedragen aan de politie. Het aantal falsifi caties dat uit omloop werd genomen in 2011 in België bedroeg 21.918 ; ten opzichte van 43.675 vervalsingen in 2010 een duidelijke daling. Hoewel deze absolute cijfers groot lijken, is het aantal vervalsingen relatief gezien erg klein. Want zo wordt bijvoorbeeld het totaal aantal echte biljetten dat jaarlijks in België circuleert, geschat op ongeveer 470 miljoen ! Het meeste vervalst zijn de coupures van 50 en 20 euro.

De wet verplicht een bezitter van een vals biljet dit direct in te leveren bij de politie, die daarna op zoek gaat naar de herkomst van de vervalsing. Het is evident dat je van de politie geen echt bankbiljet terugkrijgt in ruil voor je valse exemplaar. Het komt er dus op aan om zelf de echtheidskenmerken van de eurobiljetten te kennen en waakzaam te zijn voor bedrog. Om dit te doen, vind je meer informatie in zaal 6 van ons museum !

Laurie de Maré
Museumgids

Bibliografie