John Law: Financieel genie of charlatan?  Share

Wat hebben Nederlandse tulpen, the Mississippi Company uit Frankrijk, the South Sea Company in Engeland, dotcom en vastgoed uit Amerika met elkaar gemeen?
Het zijn allemaal voorbeelden van zogenaamde financiële zeepbellen: na een euforie volgt het besef van de buitensporigheid en de ontnuchtering, gevolgd door het uiteindelijke uiteenspatten van de zeepbel.

In het museum van de Nationale Bank liggen twee oude biljetten: gegraveerd papier met zwarte letters en cijfers op een simpele, witte achtergrond. Gemaakt in de Imprimerie Royale, met watermerk Billet de Banque.

 

Bankbiljet van 10 livres tournois van 1719 in het museum

Bankbiljet van 10 livres tournois van 1719 in het museum

Het verhaal dat achter dit biljet schuilt staat echter in contrast met de eenvoud ervan: het is een fascinerend, verbazingwekkend actueel verhaal, dat ook aantoont dat mensen niet zo snel leren uit vroeger gemaakte fouten.

Het object van de maand handelt over de biljetten van Law.

John Law was een Schot, geboren in Edinburgh in 1671, zoon van een goudsmid die ook aan bankzaken deed, niet ongebruikelijk in die tijd. Na zijn studies vertrok Law naar Londen.

 

Law op het hoogtepunt van zijn roem als Controleur Général des Finances in 1720

Law op het hoogtepunt van zijn roem als Controleur Général des Finances in 1720

Blijkbaar was hij een knappe man, sportief, welbespraakt, een ‘dandy’ die in trek was bij de dames. Hij wou een rijk leventje leiden, maar omdat hij dit niet kon betalen, begon hij te gokken. En dit deed hij met verve: hij had een heel goed geheugen en door zijn buitengewoon talent voor cijfers en wiskunde kon hij goed verdienen.

Op 6 april 1694 nam zijn leven echter een dramatische wending. In een duel doodde hij zijn tegenstander; hij werd ter dood veroordeeld (duels waren verboden) maar kon twee dagen voor zijn terechtstelling ontsnappen uit de gevangenis en naar het vasteland vluchten. De volgende tien jaren trok hij door Europa: Nederland, Italië, Frankrijk en Schotland, moeilijk te traceren, ook omdat hij zeker in het begin een ‘laag profiel’ aanhield om niet opnieuw opgepakt te worden. Hij maakt verder fortuin met gokken, en bouwde zo een kennissenkring op die hem later van pas zou komen (o.a. de Regent van Frankrijk, Philippe d’Orléans). Hij raakte ook meer en meer geïnteresseerd in bankzaken: in Nederland bestudeerde hij de werking van de Amsterdamse Wisselbank en de VOC, de Verenigde Nederlandsche Geoctrooieerde Oost-Indische Compagnie.
De twee werkten samen: bankiers aanvaardden aandelen als onderpand voor leningen, en omgekeerd kon men lenen om nieuwe aandelen te kopen: een wisselwerking tussen de aandelenmarkt en kredietverstrekking: een nieuw soort economie die Law boeide.

Met deze nieuwe ideeën knutselde Law een systeem in elkaar dat gebaseerd was op het gebruik van papieren geld en dat zelfs overheidsfinanciën van staten kon saneren. Hij was ervan overtuigd dat er krediet nodig was om een economie goed te doen functioneren: als een handelaar over 100 000 livres beschikte, en een krediet tot het tienvoudige kon bekomen, kon dit alleen maar goed zijn voor de welvaart van het land. Een economie die alleen zilver en goud als onderpand gebruikt zit gevangen en kan alleen maar stagneren.

Hieruit volgde een voorstel aan het Schotse Parlement: Proposal for supplying the nation with money by a paper credit, wat ook de basis vormde voor zijn boek Money and trade considered. Dit laatste is het belangrijkste werk van Law, waarin hij nieuwe begrippen als inflatie, geldhoeveelheid, omloopsnelheid en de relatie tussen geld en arbeid hanteerde. Zijn ideeën over fiscaliteit waren zelfs revolutionair te noemen: iedereen moest zijn steentje bijdragen, ook de clerus en de aristocratie.

De werken van Law worden nog steeds bestudeerd en geanalyseerd. Ze bewijzen dat hij zijn tijd ver vooruit was.
Maar het voorstel werd afgewezen, en uiteindelijk bleek de Regent van Frankrijk de enige die bereid was, zij het eerst met enig wantrouwen, het systeem uit te proberen. Waarom was duidelijk: de staatskas van Frankrijk was na de lange regeerperiode van de Zonnekoning, Lodewijk XIV, helemaal leeg en de schuldenberg enorm.

Aanvankelijk richtte Law een publieke bank op, die papiergeld uitgaf tegen deposito’s van gouden en zilveren munten, uitgedrukt in ecu’s die een vast gewicht aan zilver vertegenwoordigden. In de voorbije jaren was de nominale waarde van zilver en goud zo’n twintig keer veranderd door de overheid, dus een vaste koers werd door iedereen verwelkomd. Door deze strikte reglementering werd de Banque Générale (1716) al snel een succes en kregen de mensen vertrouwen in papieren geld.

Vervolgens stelde Law voor aan de Franse regering om enkele reeds bestaande ondernemingen te fuseren onder de naam Compagnie d’Occident, later ook gekend als de Mississippi Company (1717). Deze superonderneming exploiteerde een immens overzees gebied in Amerika (omvatte ongeveer 8 staten die toen het bezit waren van Frankrijk) en kreeg belangrijke monopolies: op de tabakshandel, exclusieve handelsrechten op Louisiana, de Mississippi, China, Oost-Indië en Zuid-Amerika. Later verkreeg ze het recht op aanmunten van de koninklijke munten, en mocht ze optreden als belastinginner. Al deze privileges deden vermoeden dat de Compagnie enorme winsten zou maken en met de verwachting van een jaarlijks dividend van 40 % waren verschillende uitgiftes van aandelen nodig om aan de vraag van het publiek te voldoen. Law voerde daarenboven een agressieve publiciteitscampagne, waarin allerlei waarheden, halve waarheden en flagrante leugens moesten aantonen dat er in de overzeese gebieden immense rijkdommen te rapen waren. Het aantal kopers van aandelen steeg pijlsnel, inschrijvingslijsten konden niet op tijd aangemaakt worden, wat dan weer een psychologisch effect had op nieuwe kopers en hun aantallen weer opdreef. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat stond de rue Quincampoix (waar de Compagnie haar zetel had) vol met een dolle menigte investeerders die hun slag wilden slaan. Sommigen huurden kamers tegen waanzinnige prijzen om van dichtbij de koersen te kunnen volgen. De ordehandhavers moesten speciale maatregelen treffen om de zaken enigszins ordelijk te laten verlopen.

Aandelen van de onderneming werden liefst betaald met zgn. billets d’état, overheidseffecten uitgegeven door Lodewijk XIV, die slechts een derde van hun nominale waarde hadden, maar toch tegen de volle waarde in aanmerking genomen werden voor het volstorten van het kapitaal. Als gevolg werden de staatseffecten massaal opgekocht om deze om te zetten in aandelen. De effecten werden naar de staatskas overgeheveld tegen 4 % rente, die gebruikt zou worden om de overzeese handel te financieren en voor winst te zorgen. Wat Law in feite dus deed, was de Compagnie te gebruiken om houders van overheidspapier te overtuigen dit om te zetten in aandelen. Uiteindelijk zou de Compagnie dan de enige schuldeiser van de staat worden.

De Banque Générale werd met toestemming van de Regent omgevormd tot een Banque Royale (1718), een staatsbank, waar men leningen kon aangaan met aandelen als onderpand, waarna met dit geld opnieuw kon belegd worden in nieuwe aandelen. Het kapitaal van de bank bestond dus gedeeltelijk uit aandelen.

Vanaf dan werden de Mississippi Company en de Banque Royale als het ware één onderneming, ook het publiek zag het zo. De bank gaf ook nog papieren geld uit (vanaf dan in livres tournois): het volume werd eerst bepaald door de Regent maar steeg gestaag. Speciale aanmoedigingspremies werden uitgereikt aan houders van overheidseffecten om deze te ruilen voor bankbiljetten, waarmee dan weer de lucratieve aandelen van de Compagnie konden worden gekocht. De Banque Royale werd een disconto- en emissiebank, een zaken- en overheidsbank.

En om het nog mooier te maken, probeerde Law de Regent te overtuigen om de Compagnie toe te laten de volledige Franse staatsschuld op te kopen (de Engelsen imiteerden dit in 1720 met de South Sea Company, gevolgd door de South Sea Bubble), iets wat nog nooit vertoond was.

Ondertussen woedde de speculatiekoorts verder, de vele kopers van aandelen verdrongen elkaar in de rue Quincampoix. Bij uitgifte was de koers 500 livres, eind augustus 1719, 5 000 livres en tegen december 10 000 livres.
Prinsen, hertogen, iedereen die iemand was, probeerde zoveel mogelijk aandelen te kopen, zelfs door het verkopen van hun landgoederen, juwelen, wat dan ook. Het woord millionnaire zou in die periode zijn oorsprong vinden. Maar ook arme mensen konden op een paar dagen rijk worden, door speculatie of door sluwheid.
De benoeming tot Trésorier Général des Finances van Frankrijk betekende voor Law het absolute hoogtepunt. Maar dit bleef niet lang duren.

Het einde kwam snel. In heel Frankrijk nam de inflatie onrustbarend toe, door de overvloed van biljetten die de Banque Royale in de economie gebracht had. Prijzen verdubbelden in twee jaar tijd, en weerspiegelden de hoeveelheid bankbiljetten (ook verdubbeld in twee jaar tijd). De geldvoorraad (bankbiljetten en aandelen) was vier keer zo groot als in de tijd van unieke circulatie van gouden en zilveren munten. Sommige mensen vermoedden nu een devaluatie van het papieren geld, en wisselden dit weer om in metaalgeld. Law reageerde hierop door te verbieden om meer dan 500 livres muntgeld te bezitten en door bankpapier wettig betaalmiddel te maken. Hij liet dit zelfs controleren door huiszoekingen.
De burgers beseften nu maar al te goed dat ze nooit meer dan dit bedrag bij de Banque Royale in speciën konden opvragen, wat natuurlijk een ondermijning voor het papieren geld betekende. Het was steeds de bedoeling van Law om uiteindelijk het metaalgeld volledig uit de omloop te halen, maar door deze beperking van 500 livres, bekwam hij juist het omgekeerde: men geloofde niet meer in het papier.

Ook de massa’s aandelen vormden nu een bedreiging voor zijn systeem. De terugkeer van een aantal berooide kolonisten uit Amerika, met heel andere verhalen dan over gouden bergen, en het besef dat de koloniale handel eigenlijk maar weinig inhield, deden de publieke opinie over de Compagnie omslaan.

Paniek kon niet meer worden afgewend, de Banque Royale moest haar deuren sluiten, de prijs van de aandelen stortte in elkaar, in de rue Quincampoix speelden zich dramatische taferelen af. In de razende menigte vielen er verschillende doden. Er werd gezegd dat ‘ je kon sterven van de honger met 100 miljoen papiergeld op zak’. Alle maatregelen die Law probeerde te nemen om de geldhoeveelheid in te krimpen en aandelen op te kopen om aldus te koers te doen stijgen, mislukten, en hadden slechts tot gevolg dat hij ontslagen werd als Minister van Financiën. Met de hulp van de Regent kon hij ontsnappen aan de woedende menigte en naar Brussel vluchten.

Talrijke pamfletten, satirische prenten en gravures tonen het ontploffen van de zeepbel, het bekendste ‘Het groote tafereel der dwaasheid’.

Law reisde weer naar verschillende landen, kreeg zelfs nieuwe aanbiedingen om zijn systeem toe te passen, maar eindigde uiteindelijk in Venetië, waar hij in armoede stierf. Hij bleef echter steeds in zijn gelijk geloven, en was de Regent niet vroegtijdig gestorven, was de kans groot dat hij teruggeroepen zou zijn naar Frankrijk.

Het was steeds zijn bedoeling geweest Frankrijk rijker en welvarender te maken, maar door verschillende fouten en de tegenwerking van enkele grote spelers die te veel te verliezen hadden in de nieuwe economische wereld van Law, liep dit faliekant af.

 

Spotprent na het klappen van de zeepbel

Spotprent na het klappen van de zeepbel

Het zou nog een zeventigtal jaren duren vooraleer Frankrijk zich opnieuw in een avontuur met papieren geld zou wagen…

ANN VANDORPE

Bibliografie

  • Het groote tafereel der dwaasheid, gedrukt tot waarschouwinge voor de nakomelingen, 1720.
  • James Breck PERKINS, France under the Regency with a review of the administration of Louis XIV, 1892.
  • Frans DE VOGHEL, Financiers d’autrefois, 1988.
  • Lars TVEDE, Business Cycles, 2001.
  • Andrew DICKSON White ph.d., Fiat Money Inflation in France,2004.
  • Niall FERGUSON, The ascent of money, 2008.