- Museum of the National Bank of Belgium - https://www.nbbmuseum.be/nl -

Het Chinese metaalgeld en de cashmunten

De verspreiding van het metaalgeld in China vanaf het eerste millennium voor Chr.

Het Chinese monetaire systeem heeft een ontwikkeling gekend die sterk verschilt van het concept dat gedurende lange tijd in het Westen gangbaar was. Het ontstaan van het metaalgeld als betaalmiddel bestaat immers uit twee uiteenlopende tradities. De eerste, overgenomen door het Westen, is afkomstig uit Mesopotamië rond het 2de millennium v.Chr. en is gebaseerd op het gebruik van edelmetaal. De intrinsieke waarde van het edelmetaal wordt bepaald door zijn gewicht en zuiverheid. De tweede traditie, afkomstig uit China, bezit een fiduciair karakter. Dit betekent dat de waarde van het betaalmiddel niet berust op de waarde van edelmetaal, maar op het vertrouwen van de handelaars in de uitgever van de munt en vooral op de kwantitatieve geldcontrole. Het fiduciaire Chinese metaalgeld werd, over het algemeen, enkel gebruikt voor het vereenvoudigen van de transacties. Het metaalgeld met een hoge intrinsieke waarde (zoals goud, zilver, jade en schildpad) werd er enkel gebruikt als waardereserve. Het werd niet in omloop gebracht omdat het onmiddellijk zou zijn opgepot waardoor het zijn functie van betaalmiddel zou hebben verloren.

Vanaf het tweede millennium v.Chr. werd er in het grootste deel van China met kaurischelpen betaald. Omdat het moeilijk was om het aantal schelpen te controleren en er daarenboven een toename was in handelstransacties, waren mensen verplicht om kauris te maken uit vervangproducten zoals brons, leer, steen of been. Dit is een fundamentele stap in de Chinese betaaleconomie : de overgang van een natuurlijk betaalmiddel (schelp), naar een zelfgemaakt en door de mens volledig controleerbaar betaalmiddel.

Tot in de 3de eeuw v.Chr. kende China verschillende feodale koninkrijken die regelmatig in oorlog waren. Door deze politieke versnippering ontstonden er drie verschillende vormen van metaalgeld die elk een specifieke ontwikkeling kenden. De geldcontrole was er nl. in handen van de grondbezitters en niet van de koning. De landbouwgebieden gebruikten messen en spades die geleidelijk aan hun functie van werktuig verloren en in een verkleinde vorm als geld in gebruik kwamen (vermoedelijk vanaf de 8ste eeuw v.Chr.). Andere gebieden gebruikten ronde munten waarin een centraal gat was gemaakt. Hoewel het monetaire gebruik van deze munten toen nog niet officieel was, duiken de oudste voorbeelden ervan reeds in de 7de eeuw v.Chr. op.

[1]

Gegoten cashmunten

Het is onder de heerschappij van hertog Xiao (361-338 v.Chr.) van het koninkrijk Qin dat de eerste Banliang munten met centrale doorboring, officieel zijn uitgegeven. De term Banliang duidde aanvankelijk op het gewicht van de munt: 1/2 (ban) liang stond gelijk aan 8 g. Maar na verloop van tijd begon het gewicht van de Banliang te schommelen. Er kwamen exemplaren in omloop met  een verschillend gewicht die toch dezelfde nominale waarde hadden. Tijdens het feodale tijdperk gebruikte men deze munten ook in andere koninkrijken. Ze voldoen aan dezelfde criteria als deze van het koninkrijk Qin, maar ze onderscheiden zich door het opschrift, hun afwerking en typologische details. Doordat deze Chinese munten een fiduciair karakter hadden, konden zeer uiteenlopende betaalmiddelen zowel uit metaal als uit andere grondstoffen (zoals bamboe, papier, stof, enz.) naast elkaar circuleren, en dit gedurende zeer lange tijd.

In sommige oude teksten staan aanwijzingen dat verzegelde kruiken met duizend muntstukken, genaamd pen, als officiële rekeneenheid dienden. Archeologen hebben enkele van deze kruiken in perfecte staat teruggevonden. Ze bevatten exact 1000 muntstukken, maar met uiteenlopend gewicht, variërend tussen 2 en 12 g. Inderdaad, oude en recente, zware en lichte, afgesleten of nagelnieuwe munten konden naast elkaar circuleren zolang de vorm maar voldeed aan de traditionele eisen. Soms werden ook valse munten, penningen en amuletten, aangetroffen in de pen. De Chinese munten werden bijna altijd gegoten in een gietvorm, waarbij de legering enorm kon verschillen. Tijdens het eerste millennium v.Chr. werd vooral koper gebruikt, maar vanaf de 1ste eeuw werd koper schaars waardoor er meer ijzer, lood en brons werd gebruikt zonder gevolgen weliswaar voor de nominale waarde van de munten.

De eerste belangrijke eenmaking van China dateert reeds van 221 v.Chr. en werd tot stand gebracht door de Qin keizer Shi Huang. Hoewel het een kortstondige heerschappij betreft (221-206), was het een belangrijke fase in de verspreiding van de munten met een vierkant gat in het midden. Dit munttype zou tot aan de stichting van de Chinese Republiek in 1912 standhouden. De varianten verschillen enkel inzake samenstelling, gewicht of opschrift. De munten werden gestandaardiseerd vanaf de éénmaking van de T’ang (618-907), wat een precieze en gemakkelijke datering vanaf dan mogelijk maakt. De Chinezen omschreven hun munten met de term ch’ien ; de eerste Europeanen noemden ze Cash, een woord dat wij vandaag nog steeds kennen en dat afkomstig is van de naam Caixa die de inwoners uit Malakka aan de stukken gaven bij hun aankomst in 1511.

Vanaf de 19de eeuw namen de contacten tussen China en het Westen in grote mate toe. Aangezien de Chinezen geen munten bezaten met een intrinsieke waarde, waren ze verplicht om de vreemde valuta (US dollar, Mexicaanse dollar) te aanvaarden. De Westerse economische dominantie dwong de Chinezen er geleidelijk toe om over te stappen op de zilverstandaard ten nadele van het fiduciair geld. Paradoxaal genoeg ontdekte het Westen op hetzelfde moment de voordelen van het fiduciair geld. Het maakte een einde aan het voorbijgestreefd betaalsysteem, gebaseerd op de intrinsieke waarde van edelmetaal dat ze net hadden opgelegd aan China. In feite stapte het Westen hiermee over op het fiduciaire Chinese systeem dat daar reeds 4000 jaar in gebruik was.

Jean-Christophe Caestecker, museumgids

Bibliografie