Leopold II: een munt voor de Congo Vrijstaat?  Share

Printversie (pdf)

Eind 19de eeuw werd Congo, een gebied 80 maal zo groot als België, het persoonlijke bezit van koning Leopold II van België. Na de Conferentie van Berlijn in 1885 werd Leopold II internationaal erkend als soeverein van de Congo Vrijstaat. Dit betekent dat hij absoluut alleenheerser werd van deze Vrijstaat, de soevereiniteit was namelijk volledig geïncarneerd in de persoon van de koning. De Belgische regering zat op dat moment niet te wachten op een kolonie en mengde zich aldus niet in Congolese aangelegenheden.

Muntstuk Congo Vrijstaat 5 Congolese frank - Mulongo (J.-C.). La Banque Centrale Du Congo.

Deze koloniale invasie en bezetting verliepen niet zonder slag of stoot, sommige Congolese historici durven spreken over een «dertigjarige oorlog». Dit is een belangrijke invalshoek. Immers, al te veel werd deze periode afgeschilderd als een periode van vreedzame kolonisering, alsof de Congolese bevolking stond te applaudisseren bij de aankomst van de koloniale troepen.

De Congolese economie was vóór de kolonisatie geen geldeconomie, wat niet wil zeggen dat er geen handelsactiviteit bestond, wel integendeel. Er waren lokale markten en sommige producten werden zelfs internationaal verhandeld. De inwoners maakten gebruik van ruilhandel voor de meeste economische transacties en evenzeer van goederengeld, zoals de koperen Katangakruisen en de mitako, een koperen draad van ongeveer 50 cm.

Het aanvaarden van muntgeld als betaalmiddel was voor de bevolking dan ook geen makkelijke opgave. Vandaar dat deze periode wel eens omschreven wordt als «la bataille du numéraire»; zo zouden sommige Congolezen zelfs hun ticket voor de Chemins de Fer des Grands lacs Africains betalen met kippen, omdat een kip een gebruikte ruileenheid was.

Ongeacht de te voorziene moeilijkheden met het gebruik van munten en biljetten als betaalmiddel, besliste Leopold II om ze toch in te voeren. Het monetair systeem van de Vrijstaat werd vastgelegd door het koninklijk decreet van 27 juli 1887 waarbij de Congolese frank gelijk stond aan 1/3100ste van een kilo van 9/10 fijn goud. Het decreet voorzag in de aanmunting van 20 frank in goud, van 5, 2 en 1 frank en 50 centiem in zilver en van 10, 5, 2 en 1 centiem in koper met een gaatje in. Bij decreet van 27 augustus 1906 werden ook nog kopernikkelen stukken van 20, 10 en 5 centiem ingevoerd, eveneens met een gaatje in het midden.

Het goudmuntstuk van 20 frank werd nooit geslagen en is dus nooit in omloop gebracht. Alle andere denominaties werden wel in omloop gebracht. De zilverstukken werden geslagen met op de voorzijde het portret van Leopold II erop met daarrond het omschrift LEOPOLD II R. D. BELG. SOUV. DE L’ETAT INDEP. DU CONGO. Op de koper- en de kopernikkelstukken is het koningsportret vervangen door het gekroonde dubbelmonogram van Leopold II in vijfvoud.

Het decreet van 7 februari 1896 voorzag in de uitgifte van de eerste en enige bankbiljetten van de Vrijstaat met een nominale waarde van 10 en van 100 frank en voor een totaalbedrag van 400.000 frank. Amper één dag later echter tekende Baron Edmond van Eetvelde, toenmalig staatsecretaris, een decreet waarbij de uitgifte beperkt werd tot een totaalwaarde van 269.850 frank (2.000 biljetten van 100 frank en 6.985 briefjes van 10 frank). Als veiligheidskenmerk kreeg elke coupure, naast het nummer, nog een bijkomende letter van het alfabet, daarenboven zijn de biljetten getekend door Baron van Eetvelde en door Henry Pochez, schatbewaarder.

Door de decreten van 1887, 1896 en 1906 verkreeg de koning het monopolie op de muntslag en op het uitgeven van staatsbiljetten. Er werden vanaf 1891 ook vaste wisselkoersen ingesteld.

Mulongo (J.-C.). La Banque Centrale Du Congo. Une rétrospective historique. Publication de la Banque Centrale du Congo. Kinshasa

Op de voorzijde van het biljet van 10 frank staat een Cupido afgebeeld met een hoorn des overvloeds en tegen een achtergrond die verwijst naar de transportsector, de industrie en de mijnbouw. Op de keerzijde een medaillon met het hoofd van een vrouw, gekroond met laurierbladeren. Op voor- en keerzijde staat de inscriptie «État indépendant du Congo». Op de voorzijde van het biljet van 100 frank staat een vrouw afgebeeld, zittend aan de kust met een Hermesstaf (symbool voor de handel) in de hand en met allerlei uitgestalde scheepsvracht naast zich. Op zee vaart een stoomboot voorbij. Bovenaan rechts, een liggende leeuw. Op de keerzijde prijkt een medaillon waarin het hoofd van een vrouw, getooid met de Phrygische vrijheidshoed, eigenaardig genoeg een symbool voor de Republiek (van Frankrijk dan nog bovendien). Ook hier vermelden voor- en keerzijde de naam «État independant du Congo». De biljetten zijn aan toonder en inwisselbaar in de Trésorerie Générale van de Congo Vrijstaat in de Brusselse rue de Namur 10. Er zijn maar weinig bankbiljetten die je kan terugvinden in hun originele staat omdat de meesten zijn vernietigd door middel van perforaties.

De biljetten van Congo Vrijstaat kregen heel wat kritieken over zich heen, omdat de ontwerper van de biljetten geen gebruik heeft gemaakt van kenmerken waaruit je kan opmaken in welk land het biljet gebruikt werd; behalve de vermelding «État Indépendant du Congo» ziet men geen enkele aanwijzing dat het een biljet is voor de Congo Vrijstaat. Daarenboven werden deze biljetten niet gedrukt door de Nationale Bank van België maar door het Londense bedrijf Waterlow & Sons Ltd, gespecialiseerd in het drukken van biljetten en postzegels. Men zou hieruit kunnen concluderen dat de rol van België onbestaande was, maar de bestelling van de muntstukken en biljetten gebeurde wel degelijk door bemiddeling van de Nationale Bank.

Ondanks de invoer van deze munten en bankbiljetten bleef de ruilhandel de belangrijkste economische basis van de handel. Daarnaast circuleerde heel wat goederengeld of ruilmiddelen in natura, al dan niet met een overeenkomstige waarde in frank of centiem. Zo had de eerder vermelde mitako een waarde van 15 centiem. Het aantal muntstukken in omloop daalde vanaf 1896. Werden bij sommige transacties toch wel munten gebruikt, dan was dit helemaal niet zo voor de biljetten. Ten eerste was de waarde van de biljetten te hoog voor kleine transacties en daarenboven hadden de Congolezen geen enkel vertrouwen in het ingevoerde papieren geld. Bovendien hadden de bankbiljetten geen lange levensduur door het vochtige klimaat.

Helena Van De Sompel,
Museumgids

Bibliografie

  • <http://www.randtribal.com/Archives.html>, geraadpleegd op 05/03/2011.
  • August D. & Selvais Ch., État indépendant du Congo, Congo belge, Congo belge et Ruanda-Urundi, Rwanda-Burundi, Katanga, 1896-1962. History of Paper Money, Billeta Belgica, De Mol Imprimerie, 2002, 207 p.
  • Buelens F., Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, EPO, Berchem, 2007, 671 p.
  • Mahieu A., Numismatique du Congo 1485-1924. Instruments d’échange, valeurs monétaires, méreaux et médailles, Imprimerie médicale et scientifique, Bruxelles, 1953, 146 p.
  • Mulongo J.-C., La Banque centrale du Congo. Une rétrospective historique. Publication de la Banque centrale du Congo, Kinshasa, 2007, 312 p.
  • Vangroenweghe D., Leopold II & Kongo. Het evenaarsdistrict en het kroondomein 1885-1908, Copytheek België, 1985, 403 p.