Van aes rude tot aes grave  Share

Printversie (pdf)

Kaart met de volkeren van het Italiaanse schiereiland

Kaart met de volkeren van het Italiaanse schiereiland

In het eerste millennium v.Chr. speelde het Italiaanse schiereiland een sleutelrol in de geschiedenis van het Middellandse Zeegebied. Vanaf de VIIIe eeuw v.Chr. groeiden de Etruskische steden uit tot onbetwiste machtscentra die op voet van gelijkheid handel dreven met de Carthaagse en Griekse steden. Aan hun overheersing kwam pas een einde door de opkomst van Rome bij de overgang van de IVe naar de IIIe eeuw v.Chr. Rome heerste weldra over het hele schiereiland en vervolgens over een groot deel van Europa. Verrassend genoeg zijn zowel de Etrusken als de Romeinen, beide nochtans belangrijke volkeren, pas relatief laat hun eigen munten beginnen te slaan. Ze kenden wel reeds een premonetair systeem op basis van ruwe, gegoten baren koper of brons, door de Romeinen aes genoemd.

Hoewel het vaststaat dat de Griekse kolonies in het zuiden van Italië en op het eiland Sicilië reeds in de VIe eeuw v.Chr. met munten uit edelmetaal betaalden, heeft het nog een hele tijd geduurd alvorens ook de Etrusken en de Romeinen hiervan gebruik hebben gemaakt. De landbouw bleef de basis van hun economie en de omvang van hun veestapel, hun landeigendom, hun roerende bezittingen, maar ook de hoeveelheid koper of brons die ze bezaten, waren de maatstaf voor hun rijkdom. Nationale en internationale handelstransacties werden dan weer afgerekend door middel van de ruil of met een afgewogen hoeveelheid metaal als betaalmiddel. Koper was overvloedig aanwezig op het schiereiland.

Aes rude

Aes rude

De vorm van het metaal verschilt naargelang van de periode en de regio. De oudste exemplaren zijn onregelmatig gevormde, gegoten stukken koper of brons; ze zijn op nagenoeg het hele grondgebied van het Italiaanse schiereiland aangetroffen. De Romeinse geschiedschrijvers geven er de naam aes rude aan, een term die voor zich spreekt als men weet dat aes brons en rude onbewerkt in het Latijn betekenen. De stukken hebben geen standaardgewicht en ze kunnen niet in verband worden gebracht met een centrale staat als uitgever. Uit archeologische opgravingen blijkt dat dit metaalgeld vanaf de VIIIe eeuw v.Chr. werd gebruikt en dat het in de IVe eeuw v.Chr. definitief in onbruik is geraakt. Algemeen wordt aangenomen dat het metaal niet alleen dienst deed als betaal- en oppottingsmiddel, maar ook als grondstof voor het vervaardigen van allerlei voorwerpen.

Omdat ze onhandig in het gebruik waren, werden de stukken metaal later in de vorm van rechthoekige baren of staven gegoten. De vroegste exemplaren duiken in Etrurië en Umbrië op tussen de VIIe en de Ve eeuw v.Chr. Het waren nog steeds particulieren die ze uitgaven. Ze zijn versierd met motieven en hun gewicht schommelt tussen 600 g en 3 kg.

Bij de creatie van haar eigen monetair systeem, heeft Rome dit baargeld grotendeels overgenomen. De Romeinse baren zijn in brons (aes) en dragen een beeldenaar (signatum) op beide zijden. In tegenstelling tot hun Etruskische en Umbrische voorgangers, kennen de Romeinse baren een grotere verscheidenheid aan beeldenaars die ditmaal door een centrale uitgever, de Romeinse staat, gekozen werden. Ze hebben een gewicht van 4 tot 5 Romeinse pond (tussen 1280 en 1.600 g). Kleine betalingen gebeurden net als bij de aes rude door de baren in kleinere stukken te verdelen.

Er heerst nog altijd grote onenigheid over de precieze ontstaansdatum van de aes signatum. Volgens sommigen is dat in de Ve eeuw v.Chr., terwijl anderen geneigd zijn om die in de IIIe eeuw v.Chr. te situeren. Het staat in ieder geval vast dat de opkomst van het bronzen baargeld verband houdt met een aantal belangrijke sociaaleconomische veranderingen in de Romeinse samenleving zoals men kan afleiden uit een reeks wetten die het bedrag van de opgelegde boetes weliswaar nog in stukken vee uitdrukken, maar met opgave van hun equivalent in brons. Zo weten we dat een os in de Ve eeuw v.Chr. 1.000 aes en een schaap 10 aes vertegenwoordigden.

Reproductie van een aes signatum met de afbeelding van een os uit de collectie van het British Museum

Reproductie van een aes signatum met de afbeelding van een os uit de collectie van het British Museum

De afbeeldingen op het aes signatum-geld weerspiegelen een duidelijke boodschap. Sommige staven zijn versierd met een os die ongetwijfeld verwijst naar het vee, de vroegere hoofdbron van rijkdom.

As met de god Janus als beeldenaar

As met de god Janus als beeldenaar

In 289 v.Chr. verschijnt de aes grave in Rome. De aes grave is een ronde schijf in brons die als de eerste echte Romeinse (giet)munt wordt beschouwd. De basiseenheid van de aes grave-muntenreeks is de as waarvan het standaardgewicht aanvankelijk gebaseerd is op het Romeinse pond van 320 g. De as werd onderverdeeld volgens het twaalfdelige stelsel. Zo was een semis 1/2 as waard en was een uncia gelijk aan 1/12 as. Elke denominatie had haar eigen specifieke beeldenaar. De as is herkenbaar aan het portret van de dubbelkoppige god Janus op de voorzijde. Op de keerzijde van de aes grave-munten staat meestal een scheepsboeg afgebeeld, zoals u kunt zien op de semis die in de vitrines van het NBB-museum tentoongesteld zijn. Dit is een verwijzing naar de maritieme macht van de Romeinen.

Uit bepaalde bronnen blijkt dat men aan het begin van de IIIe eeuw v.Chr. met één as een grote fles wijn, een luxeproduct, of twee overnachtingen met een maaltijd in een herberg kon betalen. Een slaaf kon zich met 10.000 as vrijkopen. Wie een vermogen had van meer dan 100.000 as werd als rijk beschouwd, wie minder dan 15.000 as bezat, werd als arm bestempeld. De as viel al snel ten prooi aan een reeks devaluaties; na de tweede Punische oorlog (201 v.Chr.) woog de as nog amper 20 g. Dit zou de aanleiding vormen voor een fundamentele munthervorming, gebaseerd op de creatie van nieuwe zilveren muntstukken.

Caestecker Jean-Christophe
Museumgids

Bibliografie:

  • Belloni Gian Guido, La moneta Romana. Società, politica, cultura, Rome, 2004.
  • Carson R.A.G., Principal coins of the Romans. vol I: The Republic (c290-31BC), London, 1978-1981.
  • Crawford H. Michael, Coinage & Money under the Roman Republic. Italy & the Mediterranean Economy, London, 1985.
  • Grueber Herbert A., Coins of the Roman Republic in the British Museum.vol I: Aes Rude, Aes Signatum, Aes Grave and Coinage of Rome from B.C. 268, Oxford, 1970.
  • Leveque Pierre, “La genèse et les premières réductions du monnayage romain”, in Les «Dévaluations» à Rome. Epoque républicaine et impériale. Volume 2. Actes du Colloque de Gdansk (19-21 octobre 1978), Ecole française de Rome, Rome, 1980, p.3-30.
  • Neri Diana, Aspetti premonetali e monetali nell’Emilia centrale. Aes signatum e moneta greca da Castelfranco Emilia, Quaderni dell’Emilia Romagna, I, 1998.
  • Thurlow Bradbury K. & Vechi Italo G., Italian Cast Coinage. Italian Aes Grave, Italian Aes Rude, Signatum and the Aes Grave of Sicily, Dorchester, 1979.

One Comment

  1. Posted 27/03/11 at 17:59 | Permalink

    Javelins and harpoons were used by the wealthiest among them while less wealthy fighters used slings and darts although ranged combat was generally disdained in Celtic warfare as being cowardly. Gaelic swords were a very small affair many not being more than 14inches long though blades with lengths of 21inches were common. They were rigid double-edged and had an acute point used for stabbing.