Het geld van de Galliërs  Share

Printversie (pdf)

Bron: Atlas der Algemene Geschiedenis en der Belgische Geschiedenis. Wesmael-Charlier, Namen, 1972.

Bron: Atlas der Algemene Geschiedenis en der Belgische Geschiedenis. Wesmael-Charlier, Namen, 1972.

Aan het einde van de 4de eeuw voor Christus, maakt het gemunt geld zijn intrede op Gallisch grondgebied. Op dat ogenblik verhuurden namelijk veel Galliërs hun diensten als krijgers te paard of te voet aan de grote oorlogsheren van het Middellandse Zeegebied. In de antieke wereld werden ze «barbaren» genoemd, omdat ze de Griekse taal niet spraken, maar tegelijk betwistte niemand hun vechterscapaciteiten. Ze streden als huurlingen mee in de legers van onder meer Filips van Macedonië en Alexander de Grote. Ze waren gewapend, hadden hun eigen aanvoerders en vormden goed georganiseerde troepen. Hun soldij werd uitbetaald in goudmunten, een nieuw betaalmiddel voor hen. De Gallische elites zagen al snel het belang in van geld: als rekeneenheid, betaal- en spaarmiddel, maar ook als bevoorrechte drager van een beeldenaar en als bron van prestige voor diegene die het geld mocht uitgeven. Munt slaan was bovendien winstgevend, want elke nieuwe muntuitgifte ging gepaard met een verlaging van het gehalte waardoor de intrinsieke waarde van de munt afnam. De nominale waarde van de munt daarentegen bleef onveranderd.

De hoeveelheid munten die de huurlingen naar huis meebrachten, bleek onvoldoende en in het begin van de 3de eeuw voor Christus werden de eerste Gallische munten geslagen. Het zijn aanvankelijk imitaties van Griekse, voornamelijk Macedonische munttypen. Vooral de internationaal befaamde gouden stater van Filips van Macedonië wordt nagebootst. De Gallische staters hebben hetzelfde formaat, gewicht (8,6 gr), beeldenaar en zelfs omschrift als het origineel. Een ander munttype dat wordt nagebootst, is de stater van Tarente, een Griekse kolonie in Zuid-Italië. Dit was vooral in het noorden van Gallië, in het Sommedal, het geval.

Stater van Philippus II

Stater van Philippus II

De Ambianen die daar woonden, leerden de stater van Tarente kennen dankzij de overzeese tinhandel en via de huurlingsoldaten. De Ambianen sloegen als eersten munt in Belgisch Gallië. Door het imiteren van mediterrane munttypen, probeerden de Keltische leiders zich te vereenzelvigen met hun grote Griekse voorbeelden en hun sociale prestige.

In de 3de eeuw voor Christus ontwikkelden handel en nijverheid zich en kende Gallië de opkomst van een nieuwe sociale klasse: de handelaars. In en rond de versterkte nederzettingen, de zogenaamde oppida, werden grote, regionale markten georganiseerd. Het aantal transacties nam er zienderogen toe en het gebruik van geld verspreidde zich onder de verschillende stammen. Een toename van het aantal muntuitgiften en muntheren was er het gevolg van. Het is in die periode dat de eerste zogenaamde potins, gietmunten met een legering van lood, tin en koper, verschijnen.

De verschillende muntheren probeerden zich van elkaar te onderscheiden door middel van de beeldenaar op hun munten. De Griekse of Macedonische munttypen worden niet meer slaafs nagevolgd. Een eigen Keltische beeldentaal komt ervoor in de plaats (de typisch Keltische halsband duikt op, de haren worden langer…). Ook geheel nieuwe beelden en thema’s, eigen aan de Keltische kunst, verschijnen. Deze zijn vaak religieus geïnspireerd en houden minder verband met het dagelijkse leven. Gestileerde voorstellingen van dieren en fantastische wezens maken opgang.

Vanaf de 1ste eeuw voor Christus kreeg een nieuwe elite de muntslag in handen. De nieuwe muntheren zorgden voor een nieuw iconografisch programma, geïnspireerd op de oorlogsvoering. Wapens en opgetuigde paarden prijken op de keerzijde en gehelmde personages op de voorzijde. De beelden verwijzen meer naar de persoon van de leider en minder naar de groep. Vanaf dat ogenblik kan men duidelijk twee iconografische stromingen onderscheiden in de Keltische muntslag: het nieuwe repertorium en de oude vormentaal. In beide gevallen echter spelen propagandadoeleinden een rol. Sommige Gallische edelen vermeldden hun naam in het Grieks of het Latijn op hun munten en zetten zo hun opvoeding en interesse voor de antieke cultuur in de verf.

Het paard speelde een prestigieuse rol in de Gallische samenleving en komt als beeldenaar zeer veel voor op de munten. Het verwijst oorspronkelijk naar het vierspan op de Griekse stater die model stond. Geleidelijk aan treedt de Keltische vormentaal in de plaats: het rijtuig is herleid tot enkel nog een wiel en het paard wordt op een zeer gestileerde manier weergegeven.

Tijdens de Gallische oorlog, liepen de politieke meningen uiteen en een aantal stamhoofden aarzelde niet om hun uitgesproken mening ook in de beeldenaar van hun munten uit te drukken.

Nervische stater van het epsilontype: op de voorzijde, een rudimentair stuk van een hoofd, op de keerzijde, een paard met een driehoekig hoofd met daarboven een wiel met vier spaken

Nervische stater van het epsilontype: op de voorzijde, een rudimentair stuk van een hoofd, op de keerzijde, een paard met een driehoekig hoofd met daarboven een wiel met vier spaken

Wegens onvoldoende aanvoer van Romeinse munten, bleven sommige stammen, met instemming van Rome, munt slaan. De Gallische muntheren bleven teruggrijpen naar de voor hen vertrouwde beelden- en propagandataal en gaven op die manier de indruk nog steeds vrij te zijn en niet onderworpen aan de Romeinse heerschappij.

De munthervorming van keizer Augustus (23 – 17 v. J.C.) voorzag in de oprichting van keizerlijke muntateliers, verspreid over heel Gallië en in een voldoende, gecontroleerde uitgifte van Romeinse munten. Kort daarop, viel de Gallische aanmunting voorgoed stil, alhoewel de Gallische munten nog een tijdje in omloop bleven.

Laura Pleuger
Museumgids

Dank aan: J.-M. DOYEN

Bibliografie

  • Doyen J.-M., “Les Nerviens, une histoire de gros sous”, in L’Archéo-Théma,  volume thématique sur les Nerviens, te verschijnen.
  • Gruel K., La monnaie chez les Gaulois, Parijs, Errance, 1989.
  • Ruta V., Les Celtes. Histoire et dictionnaire. Des origines à la romanisation et au christianisme, Parijs, Robert Laffont, 2000.
  • Meissonnier J., Popovitch L. & Schomas H., “Piles et Faces. Une collection d’images monétaires”, in Fragments d’archéologie, n°15, Dijon Archaeological Museum, June 2010.
  • Scheers S., “Traité de numismatique celtique. II. La Gaule Belgique”, in Annales Littéraires de l’Université de Besançon, n°195, Parijs, 1977.

One Comment

  1. Posted 27/12/10 at 09:52 | Permalink

    A record breaking Treasure Trove of Gaulish gold coins has been found in a farmers field in France.The hoard of coins found in central Brittany was discovered by the French government agency the Institut National de Recherches Archeologiques Preventives INRAP . And this area is due for a new by-pass to be built.The coins are believed to have been minted around 75 to 5BC and were likely buried in order to protect the Celtic tribes wealth just before or during the first Roman invasions of northern and western FranceIt is believed that they were all buried together but disturbed over the centuries by agricultural ploughing.

One Trackback

  1. […] Gaulish money — Museum of the National Bank of Belgium […]