De weg naar de euro  Share

Printversie (pdf)

De invoering van de Europese eenheidsmunt was een belangrijke stap in de lange weg naar economische integratie. De idee is niet nieuw. De monetaire geschiedenis en de munten van het verleden leren ons verschillende voorbeelden kennen van eenheidsmunten en van muntunies. In de Nederlanden was het wachten op de Bourgondische hertogen vooraleer men van een echte monetaire eenmaking kan gewagen; Filips de Goede sloeg in 1434 de gouden rijder en de zilveren vierlander als gemeenschappelijke munten voor al zijn noordelijke bezittingen (Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Brabant).

De Latijnse Muntunie die in 1865 op initiatief van Frankrijk opgericht werd, is een tweede voorbeeld. De Unie legde zeer precies het gehalte vast van de goud- en zilvermunten van de vijf lidstaten: België, Frankrijk, Italië, Zwitserland en Griekenland (vanaf 1868). Op die manier vervulde één en dezelfde munteenheid (weliswaar onder verschillende benamingen: frank, lire en drachme) een rol die als een voorafspiegeling kan beschouwd worden van deze van de ECU of de euro.

Net voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, werd een nieuw internationaal monetair stelsel op stapel gezet: de Bretton Woods-akkoorden (1944). De dollar kon tegen een vaste koers voor goud worden omgeruild en de deelnemende landen verbonden zich ertoe hun munten slechts binnen een marge van 1 procent ten opzichte van de dollar te laten schommelen. Tegelijk werden twee nieuwe instellingen opgericht: het Internationaal Muntfonds (IMF) en de Wereldbank.

Het verdrag van Maastricht (1993) - Vergaderzaal

Het verdrag van Maastricht (1993) – Vergaderzaal

In 1957 ondertekenden zes landen waaronder België, de Verdragen van Rome waardoor onder meer de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opgericht werd die de Gemeenschappelijke Markt als streefdoel had. In de daarop volgende decennia kreeg het project van een economische en monetaire unie langzaam maar zeker vorm. In 1970 voorzag het plan-Werner in de totstandkoming van een volledige economische en monetaire unie in tien jaar, maar in werkelijkheid zou het langer duren. Reeds in 1971 kwam er een kink in de kabel toen president Nixon de convertibiliteit van de dollar tegen goud ophief en hiermee het einde van het Bretton Woods-stelsel in zicht kwam. Het gevolg was een grote instabiliteit op de wisselmarkten waardoor de pariteitsverhoudingen tussen de Europese valuta’s op losse schroeven kwamen te staan. Er werd daarom een structuur opgezet die ten minste op Europees niveau een minimum aan stabiliteit zou kunnen waarborgen en eventueel in een monetaire unie zou kunnen uitmonden. In 1972 werd het mechanisme van de “muntslang” ingevoerd waarbij de fluctuatiemarges tussen de Europese munten ten opzichte van de marges tussen die munten en de dollar beperkt werden tot 2,25 procent (Monetair Akoord van Bazel) . In 1973 ging de koers van de dollar zweven en trad dus een systeem van vlottende koersen in voege. In Europa besloten Duitsland, Frankrijk, de Benelux-landen en Denemarken de maximale koersschommeling tussen hun valuta’s onderling toch verder te handhaven. Via bilaterale akkoorden sloten ook Noorwegen en Zweden zich bij dit landenblok aan. Binnen het stelsel van veralgemeend zweven bleef er dus een kern van stabiliteit bestaan. Indien nodig, zouden de centrale banken van de deelnemende landen tussenkomen. De oliecrisis, de verschillen tussen het economisch beleid van de lidstaten en de instabiliteit op de wisselmarkten maakten dat de “muntslang” allesbehalve een succes werd. In minder dan twee jaar tijd verloor hij de meeste van zijn leden en werd hij uiteindelijk teruggebracht tot een veel kleinere “markzone”.

De europese muntslang (1972-1978)

De europese muntslang (1972-1978)

Op de topconferentie van Bremen (1978) werd voorgesteld de Europese monetaire samenwerking nieuw leven in te blazen  en in 1979 ging het Europees Muntstelsel (EMS) van start. Het beoogde drie zaken: de creatie van de ECU als munteenheid, de stabiliteit van de onderlinge wisselkoersen (door interventies van de centrale banken) en de solidariteit tussen de deelnemende landen door onderlinge kredietverlening. De ECU stond voor European Currency Unit en werd de rekeneenheid van het stelsel. De ECU was een korf van Europese munten; zijn waarde werd bepaald door de waarde van de munten waaruit de korf was samengesteld .

In 1988 werd aan het comité-Delors gevraagd om concrete voorstellen te doen voor de verwezenlijking van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Het verslag-Delors voorzag in drie fasen waarvan de laatste de invoering van de Europese eenheidsmunt was. De weg naar het verdrag over de Europese Unie lag nu open. Het Verdrag van Maastricht dat in feite de Verdragen van Rome wijzigt en vervolledigt, legde in grote lijnen de kalender vast voor de invoering van de eenheidsmunt. Het Verdrag van Maastricht werd in 1992 ondertekend en trad het jaar daarop in werking.

In december 1995 beslisten de staats- en regeringsleiders op de Top van Madrid dat de eenheidsmunt “euro” zou heten. Het overgangsscenario bevatte twee scharnierdata: op 1 januari 1999 werd de euro officieel ingevoerd, maar hij bleef als betaalmiddel beperkt tot zijn girale vorm (cheques, overschrijvingen, betaalkaarten, enz.). Op 1 januari 2002 kwamen de euromunten en -biljetten in omloop. Tijdens de overgangsfase bleef het hele economische stelsel van de deelnemende landen op basis van de nationale munteenheden, als niet-decimale onderverdelingen van de euro, functioneren.

Kaart van toekomstige eurozone

Kaart van de toekomstige eurozone

Vandaag is de euro de gemeenschappelijke munt van zestien landen van de Europese Unie. De microstaten van Monaco, San Marino en Vaticaanstad gebruiken eveneens de euro krachtens een formeel akkoord dat ze sloten met de Europese Unie. Andorra, Montenegro en Kosovo gebruiken de euro ook, maar zonder dat hierover een monetaire overeenkomst werd afgesloten. De Raad van de EU heeft op 13 juli 2010 beslist dat Estland het zeventiende land van de eurozone wordt op 1 januari 2011. De euro en de Estse kroon zullen gedurende twee weken samen in omloop zijn.

 

 

 

 

 

Catherine Dauvister
Museumgids

Bibliografie

  • Abraham J.-P. & Lemineur-Toumson C., “Les choix monétaires européens 1950-1980”, in Cahiers de la faculté des Sciences économiques et sociales de Namur, Namen, Series Documents et Points de vue, n°4 april 1981.
  • Barthalon Olivier, BNP Paribas, BIBAC Ionut & Ernst Cécile, “L’euro, une devise stable devenue monnaie de reserve”, in Banque Stratégie, Parijs, n° 274 october 2009, p. 23-32.
  • Cukierman Henri (dir.), “De l’écu à l’euro, le traité de Maëstricht et son application”, in Intérêts, Parijs, Groupe CPR, n°12, 1997.
  • De Strycker Cecil, “Le franc belge dans le serpent monétaire européen”, in Collection des études et conférences, Brussel, n° 285 february 1978, pp. 3-17.
  • Floc’Hlay Jean-Michel, La monnaie unique, Lagny-sur-Marne, Eudyssée, 1996.
  • Jean Alain, L’écu, le SME et les marchés financiers, Parijs, Organisation, 1990.
  • Louis Jean-Victor, L’Union européenne et sa monnaie, Brussel, Université de Bruxelles, 2009.
  • Terray Jacques, Le passage à la monnaie unique, Parijs, Dalloz, 1999.
  • Turot Paul, Le Serpent monétaire. Histoire, mécanisme et avenirs, Parijs, L’Épargne, coll. De quoi s’agit-il?, 1976.

2 Comments

  1. Fabian Discher
    Posted 03/10/10 at 16:41 | Permalink

    Your article is very good yet little short. I hope you next articles could be little more elaborate that this one. Still good job.

  2. Winford Inniss
    Posted 03/10/10 at 21:02 | Permalink

    Reading your article really helped me with my problem. I want to thank you for writing this article.

One Trackback

  1. By world currency exchange on 12/10/10 at 21:30

    world currency exchange…

    […] an interesting blog wrote a post The road to the euro — Museum of the National Bank of Belgium about world currency exchange, discussing world currency exchange […]…