Vedergeld  Share

Printversie (pdf)

We nemen een heel opvallend soort geld onder de loep, geld gemaakt van vogelveren. Dit zogenaamde vedergeld werd lange tijd gebruikt op de Santa Cruz-archipel, een afgelegen eilandengroep die deel uitmaakt van de Solomoneilanden. Deze archipel bestaat uit de eilanden Ndende, Vanikoro, Utupua, Tinakula en een aantal rifeilanden.

Myzomela Cardinalis, www.usa.gov

Myzomela Cardinalis, www.usa.gov

Het vedergeld bestond uit een 9 m lange band van plantenvezels die bedekt was met de rode veertjes van de Kardinaal dwerghoningeter (Myzomela Cardinalis) en kwam vaak voor als een dubbele rol. Eén dubbelrol was een handelseenheid die niet uit elkaar getrokken kon worden en bestond uit zo’n 50 à 60.000 rode veren. Waar het idee van vedergeld precies vandaan kwam, is niet duidelijk, maar de kleur rood wijst in ieder geval op een Polynesische invloed. Rood is de kleur van de goden en zeldzaam in de natuur.

De productie van het vedergeld beperkte zich hoofdzakelijk tot het zuidwestelijke deel van hoofdeiland Ndende en bestond uit 3 fases. Iedere fase werd uitgevoerd door een specialist die de magische kennis gekregen had van de geesten. De techniek werd doorgegeven van vader op zoon. In een eerste fase werden de dwerghoningeters gevangen door een vogelvanger. Hiervoor bestreek hij een tak met het sap van de moerbeiboom dat als plakmiddel diende. Daarna lokte hij de vogels. Dit deed hij met een echte vogel die vastgebonden was, met een opgezette lokvogel of door de lokroep van het beestje na te bootsen. Wanneer de vogel vastplakte, werd hij geplukt.

De rollenbinder aan het werk

De rollenbinder aan het werk

Een tweede specialist was verantwoordelijk voor het maken van de plaatjes (ook wel lendu genoemd) waaruit de banden bestonden. Als basis gebruikte hij de stijve veren van een duif. De duiven werden eerst neergeschoten met pijl en boog, waarna de veren met het sap van de moerbeiboom aan elkaar werden geplakt. Op ieder plaatje werden dan de rode veertjes van de dwerghoningeter geplakt. In totaal waren er 1.500 à 1.800 van zulke plaatjes nodig voor 1 rol. Aan 1 rol werd ongeveer 700 uur gewerkt.

De plaatjes werden dan naar de rollenbinder gebracht. Die bond alle plaatjes aan mekaar tot ze een 9 meter lange rol vormden. Hiervoor werden 2 koorden uit boombast evenwijdig van elkaar gespannen tussen 2 bomen. Ze werden uit mekaar gehouden door een rekstaaf gemaakt uit het vleugelbot van een vleerhond. De specialist begon dan in het midden tussen deze 2 koorden de plaatjes te binden. Hierbij werkte hij naar buiten toe. Deze plaatjes overlapten elkaar zoals dakpannen.

Het eindresultaat was een vederrol die helderrood van kleur was. Hoe helderder de kleur en hoe beter de staat van de rol, hoe meer ze waard was. In totaal waren er 10 rangen binnen het vedergeld. Banden van de eerste rang waren het helderst van kleur en dus heel veel waard. De banden van de laagste rang zagen er bijna helemaal zwart uit en waren vaak in slechte staat. Een band van een welbepaalde rang was 2 keer zoveel waard als een band van een rang lager. Om de banden te bewaren, werden ze samen met amuletten verpakt in bladeren en lompen en zo’n 2 meter boven het vuur gehangen. Als ze droog hingen, werden ze minder aangetast door schimmel en insecten.

Een dubbelrol

Een dubbelrol

Als we naar traditioneel geld kijken, moeten we onze westerse definitie van geld even achterwege laten. De verschillende geldvormen zoals vedergeld, schelpen of steen dienden niet alleen voor handel, maar ook voor rituele betalingen zoals boetes en compensatiebetalingen. Een van de opvallendste manieren om vedergeld te gebruiken, was voor de betaling van de bruidsprijs. Zo’n bruidsprijs was een overdracht van goederen en diensten van de familie van de man naar de familie van de vrouw. Het huwelijk van een dochter betekende immers een verlies voor haar familie. Het was niet alleen een verlies op emotioneel vlak, maar het betekende ook het verlies van een arbeidskracht. Op die manier ontstond het beeld dat vrouwen als handelswaar verkocht en gekocht werden. De bruidsprijs werd echter beschouwd als compensatie voor het verlies van een dochter en haar kinderen. Een bruid was meestal 10 vederbanden waard, alhoewel het aantal banden voor een vrouw van de westelijke eilanden wel eens kon oplopen. Die vrouwen waren immers extra handig, zij konden goed vissen, peddelen en zij klommen ook in fruitbomen. Op die manier werden de vrouwen van de westelijke eilanden een van de belangrijkste «exportproducten». Aan een meerprijs werden ze ook verkocht als concubine.

Vedergeld werd ook gebruikt in het dagelijks betaalverkeer. Tussen de verschillende eilanden van de archipel ontstond een heel handelsnetwerk waarbinnen zowel met vedergeld betaald werd, als aan ruilhandel gedaan werd. De kleine rifeilandjes waren door hun zanderige, onvruchtbare bodem niet geschikt om aan landbouw te doen, maar ze hadden wel een grote bevolking die vooral leefde van vissen en de varkenskweek. Ndende daarentegen was dunbevolkt maar groot en had een vruchtbare bodem. De bevolking van de rifeilanden exporteerden dan ook vaak vrouwen naar Ndende, zij kregen dan vedergeld in de plaats. Dat vedergeld werd dan weer vaak gebruikt om hout, boten of varkens te kopen.

Vandaag is het vedergeld grotendeels in onbruik geraakt. Sinds het begin van de 20ste eeuw en zeker sinds de Tweede Wereldoorlog wordt er op de Santa Cruz-archipel betaald met westerse munten en biljetten. De laatste man die nog rollen vedergeld kon maken, stierf in de jaren ‘80. We vinden er nog enkele bij verzamelaars of in musea. De rest van de overgebleven banden zijn vaak beschadigd of in slechte staat. Veel banden werden door de bewoners van de archipel in zee gegooid, omdat de vederbanden niet verkocht mochten worden buiten de eilanden. Ze maakten immers deel uit van het nationaal erfgoed.

Katrien Costermans,
 Museumgids

  • “Federgeld und Muschelketten: Traditionelle Zahlungsmittel aus Melanesien”, in Das Fenster, Keulen, 142, January 1992.
  • Houston D.C., The impact of the Santa Cruz red feather currency on the population of the scarlet honey eater Myzomela cardinalis, not published, Glasgow, 2010.
  • Kloos P., Culturele antropologie: een inleiding, Assen, 2002.
  • Koch G., Materielle kultur der Santa Cruz-inseln, Berlin, 1971.
  • Lautz Thomas, Federgeld und muschelketten, Keulen, 1992.
  • Lautz Thomas, “Traditional Money and Cultural Diversity: Continuity and Change in the Pacific Region”, in Lane P. & Sharples J. (ed.), Proceedings of the ICOMON meetings, held in conjunction with the ICOM Conference, Melbourne, 2000. Available here.
  • Pycroft A.T., “Santa Cruz red feather-money – Its manufacture and use”, in The Journal of the Polynesian Society, 44, 1935, p. 173-183.