Valsmunterij doorheen de eeuwen  Share

Printversie

Van Valsche munters, gravure in J. De Damhoudere, Practycke in criminele saken, 1555

Van Valsche munters, gravure in J. De Damhoudere, Practycke in criminele saken, 1555

Valsmunterij – onder deze overkoepelende term wordt buiten het namaken van munten ook het vervalsen van biljetten en andere betaalmiddelen verstaan – is iets van alle tijden. Nog voor er sprake was van munten werden de toen gangbare betaalmiddelen nagemaakt; en kort na het ontstaan van de eerste munten in de zevende eeuw voor Christus doken ook al de eerste vervalsingen op. In sommige periodes nam die valsmunterij epidemische vormen aan, veelal omdat er van staatswege te weinig munten in omloop waren.

In de eerste eeuw na Christus, waren er in het Romeinse Rijk bijvoorbeeld heel wat onofficiële munten in omloop die het gebrek aan officiële munten moesten compenseren. Een ander voorbeeld van een periode waarin valsmunterij wijdverspreid was, is de tweede helft van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten van Amerika. Bij het begin van de Burgeroorlog in 1861 werd geschat dat ongeveer de helft van de biljetten in omloop vals waren. Er kwam pas een einde aan deze massale namaak toen de overheid de geheime dienst oprichtte, om de fraude op grote schaal te bestrijden. Op het einde van de negentiende eeuw was deze grootschalige valsmunterij in de Verenigde Staten nagenoeg verdwenen.

De valsmunters betrapt, gravure naar een houtsnede van R. Brend amour, in: De Belgische Illustratie, 1868

De valsmunters betrapt, gravure naar een houtsnede van R. Brend amour, in: De Belgische Illustratie, 1868

Valsmunters kunnen gedreven worden door uiteenlopende motieven. Een eerste voor de hand liggend motief is hebzucht. Meer nog dan het namaken van munten, kan het vervalsen van biljetten immers op korte tijd heel wat winst opleveren. Een minder voor de hand liggende beweegreden kan ijdelheid zijn. Er zijn verschillende voorbeelden gekend van valsmunters die zich toelegden op het namaken van antieke munten voor de verkoop aan muntverzamelaars en zelfs geheel fictieve munten sloegen om hun kunnen te illustreren. Een derde motief ten slotte, kan politiek van aard zijn.

Zo zijn er verschillende voorbeelden gekend van machthebbers die uit financiële noodzaak munten uit minderwaardig metaal lieten slaan en hen voor echte gouden of zilveren munten lieten doorgaan. Een bekend voorbeeld is Frederik de Grote (°1712-1786) die munten liet slaan met een veel te hoog kopergehalte die door een chemische truc een mooi, zilverkleurig uiterlijk kregen. Een meer perfide politiek motief is het op grote schaal vervalsen van het betaalmiddel van een vijandige staat, met als doel destabilisering. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de operaties “Andreas” en “Bernhard” van Nazi-Duitsland. Beide operaties richtten zich op het op grote schaal namaken van het Britse pond. Operatie “Andreas” had tot doel de Britse markt te overspoelen met valse ponden om zo het vertrouwen in de munt te doen kelderen, en een hyperinflatie te creëren. In 1942 veranderde de opzet van het plan en veranderde de naam in operatie “Bernhard”. Het voornaamste doel was niet langer de destabilisatie van Groot-Brittannië, maar wel de Duitse troepen van extra financiële middelen te voorzien. In totaal slaagde men er in om miljoenen biljetten na te maken, waarvan ongeveer een miljoen van zo’n kwaliteit dat ze nauwelijks van de echte biljetten te onderscheiden waren. Hoewel lang niet alle biljetten ook effectief verspreid werden, wordt toch geschat dat in 1944 ongeveer één op twintig Britse pondbiljetten vals was. Op het Europese vasteland lag dit percentage wellicht aanzienlijk hoger, omdat de valse ponden uiteindelijk vooral daar verspreid werden voor de aankoop van goud, oorlogsmateriaal en levensmiddelen voor de Duitse troepen. Het was dan ook vooral op het continent dat het vertrouwen in het Britse pond ondermijnd werd en veel minder in Groot‑Brittannië zelf, zoals aanvankelijk nochtans de bedoeling was.

Dwangarbeid als strafmaat voor valsmunterij op het biljet van 100 Belgische frank van het type Beyaert (1978-1996)

Dwangarbeid als strafmaat voor valsmunterij op het biljet van 100 Belgische frank van het type Beyaert (1978-1996)

Zoals het laatste voorbeeld aantoont, kan valsmunterij heel wat schade berokkenen. Niet alleen op individueel vlak – bijvoorbeeld een handelaar die merkt dat hij betaald is met waardeloze biljetten – maar zeker ook op macro-economisch vlak. Valsmunterij op grote schaal ondermijnt het vertrouwen in de nationale munt. In 1888 bijvoorbeeld veroorzaakte een golf vervalsingen in Frankrijk zo’n paniek dat de echte biljetten moesten ingetrokken worden. Het namaken van betaalmiddelen wordt dan ook van oudsher streng bestraft. In de Middeleeuwen stond valsmunters de doodstraf te wachten: ze werden levend gekookt of kwamen terecht op de brandstapel. Hoewel die zware straffen definitief tot het verleden behoren, wordt valsmunterij nog steeds zwaar bestraft. Op het namaken van euromunten staat een gevangenisstraf van vijf tot tien jaar ; het vervalsen van eurobiljetten wordt zelfs met opsluiting van vijftien tot twintig jaar bestraft. Ook medeplichtigen die helpen de valse munten of biljetten in omloop te brengen, hangt dezelfde straf boven het hoofd. Wat velen niet weten, is dat zelfs diegenen die zelf vals geld ontvangen hebben en dit opnieuw proberen uit te geven, strafbaar zijn en een boete riskeren.

De Europese Centrale Bank die de uitgifte van de eurobiljetten coördineert, focust echter niet enkel op een strenge bestraffing van valsmunterij, maar legt ook sterk de nadruk op preventie.

Leen Bultinck, 
Museumgids

Bibliografie

  • Malkin L., La guerre des faux-monnayeurs. Le complot des faussaires nazis et les déportés du block 19, City Editions, Paris, 2007, p. 178.
  • Kauch P., “Les Faux-Monnayeurs”, in NBB-BNB personeelstijdschrift, 1960-1961.

One Comment

  1. Wordpress Themes
    Posted 22/06/10 at 21:02 | Permalink

    Good post and this mail helped me alot in my college assignement. Thanks you for your information.