Papier  Share

Het drukatelier van de Nationale Bank van België voor 1950 en in 2006

Het drukatelier van de Nationale Bank van België voor 1950 en in 2006

Printversie

Het woord papier is afkomstig van «papyrus», naar de plant die wordt gebruikt om het gelijknamige schrijfmateriaal te produceren. Papier is een Chinese uitvinding en was zonder twijfel een verbetering van wat vroeger voorhanden was. Het is het Arabische volk dat de Chinese uitvinding overnam en tussen de achtste en de elfde eeuw verspreidde naar Moors-Spanje. Het gebruik van papier veroverde van daaruit de rest van Europa.

Het scheuren van de lompen in Papierfabriek De Meurs, negentiende eeuw

Het scheuren van de lompen in Papierfabriek De Meurs, negentiende eeuw

Papier kan gemaakt worden uit verschillende grondstoffen. Het eerste Chinese papier bestond uit de behandelde schors van de lindeboom, de moerbeiboom of het bamboe, uit vlas of lompen. Voor het eerste papier in Europa werden vooral vlas en hennep gebruikt (het zogenaamde lompenpapier). In de negentiende eeuw waren er twee belangrijke fabrieken die de Nationale Bank van België bevoorraadden: de Papierfabriek De Meurs (België) en de Papepeterie du Marais (Frankrijk). Het papier werd toen nog steeds met de hand gemaakt, aan de kuip, gevuld met witte lompen. Men verkreeg de papierbrij door de lompen en oude kleren te verscheuren en te verpulveren. Het papier moest een solide en homogeen product vormen: om het steviger te maken, werd er vlas of hennep aan toegevoegd; extra soepelheid werd verkregen door meer katoen. De Papierfabriek De Meurs bijvoorbeeld paste deze procedés toe. Van 1894 tot 1899 veranderde de samenstelling van het biljettenpapier tijdelijk: het lompenpapier werd vervangen door papier op basis van rameh of ramie, een plant die oorspronkelijk in China werd geteeld. De biljetten waren minder doorschijnend waardoor vervalsingen gemakkelijker konden opgespoord worden. Maar de ramehbiljetten hadden een kortere levensduur en de productiekosten lagen heel wat hoger. In het begin van de twintigste eeuw werd handgeschept papier te duur. België schakelde over op modernere productiemethodes, d.w.z. machinaal vervaardigd papier. Hoe hoger de kwaliteit van het biljettenpapier, hoe langer zijn levensduur en hoe beter de veiligheidskenmerken die erin geïntegreerd zijn. Aanvankelijk leverde de Franse Papeteries d’Arches dit papier aan de Nationale Bank van België. Vanaf het midden van de twintigste eeuw kwam het ook uit Engeland. Vandaag gebruiken de producenten van biljettenpapier geen lompen meer als grondstof, maar onbewerkte, ruwe katoen. De productie is bovendien een continu proces geworden. Het papier van de eurobiljetten wordt geleverd door de Fabrica nacional de Moneda y Timbre in Burgos (Spanje).

Het biljet van 1.000 frank, type 1851 (voorlopig), uitgegeven door de Nationale Bank en getekend en gegraveerd door Leopold Wiener

Het biljet van 1.000 frank, type 1851 (voorlopig), uitgegeven door de Nationale Bank en getekend en gegraveerd door Leopold Wiener

De Chinezen hebben niet alleen het papier uitgevonden, ze waren ook de eersten om papiergeld te gebruiken. Reeds onder de Mingdynastie, in de veertiende eeuw, waren er biljetten in omloop. Omdat er een tekort aan muntmetaal was, besloot de Keizer om papieren geld uit te geven met een tegenwaarde van verschillende munten. Het Chinese biljet in het museum bijvoorbeeld heeft een waarde van duizend muntstukken. In Europa is het eerste gebruik van papiergeld nauw verbonden met de activiteiten van de geldwisselaars die vooral in het 13de-eeuwse Italië steeds belangrijker werden. Aan zijn tafel of banco wisselde de wisselaar niet alleen muntsoorten (iedere middeleeuwse regio sloeg zijn eigen munt), hij nam ook munten in bewaring (deposito’s) en verstrekte leningen. Net zoals de hedendaagse bankier, maakte de middeleeuwse wisselaar het dus mogelijk om geld te sparen en te lenen. De wisselaar hield hiervan een boekhouding bij en gaf zijn depositohouders een ontvangstbewijs mee waarvan de waarde overeenkwam met het depositobedrag. Maar het is wachten tot de zeventiende eeuw (1661) vooraleer het eerste bank of «kredietbiljet» in Europa verschijnt. Het is de Zweedse Stockholms Banco die deze essentiële stap in de geschiedenis van het geld, de overgang naar het fiduciaire geld, heeft gezet. «Fiduciair» komt van het Latijnse woord voor vertrouwen, fiducia. In tegenstelling tot de intrinsieke metaalwaarde van de munten, hangt de waarde van een bankbiljet volledig af van het vertrouwen dat het geniet. Zijn waarde staat enkel nog geschreven of gedrukt op het papier. Pas vanaf het einde van de negentiende eeuw, -voor de grootste coupures was het zelfs wachten op het begin van de twintigste eeuw-, raakten bankbiljetten ook bij het grote publiek in gebruik. In 1851 bracht de Nationale Bank van België haar eerste reeks biljetten in omloop. Hun waarde varieerde van 1.000 tot 20 frank. Door hun hoge koopkracht en hun geringe populariteit, is hun oplage lange tijd beperkt gebleven. Het vertrouwen in de bankbiljetten is er maar geleidelijk gekomen.

De zeven eurobiljetten

De zeven eurobiljetten

Vandaag bestaat de eenheidsmunt elf jaar. Op 1 januari 1999 werd de girale euro ingevoerd, maar het duurde nog tot 1 januari 2002 voor de euromunten en -biljetten in omloop kwamen. Het biljettenpapier wordt nog steeds op basis van katoen gemaakt en het moet aan welbepaalde vereisten voldoen. De onbedrukte papiervellen bevatten reeds een aantal belangrijke veiligheidskenmerken: UV-lichtgevoelige microvezels, een watermerk en de veiligheidsdraad. Het watermerk is zichtbaar door het verschil in dikte van het papier. Wanneer men het biljet tegen het licht houdt, verschijnen het hoofdmotief van het biljet en zijn nominale waarde. Op de zwarte veiligheidsdraad uit metaal of plastic, zijn zowel de nominale waarde als het woord «euro» leesbaar. Hoewel het grote publiek nog steeds het gebruik van munten en biljetten verkiest voor dagelijks gebruik, bestaat het leeuwendeel van de geldhoeveelheid vandaag uit giraal geld. We betalen steeds vaker met een overschrijving of een bankkaart.

 

Catherine Dauvister
Museumgids

Bibliografie:

  • Europese Centrale Bank, Hoe de euro ons geld is geworden, Frankfurt, 2007.
  • Brion R. & Moreau J.L., Het bankbiljet in alle staten. Van het eerste bankpapier tot de euro, Brussel, Mercatorfonds, 2001.
  • Danneel M., “Het biljettenpapier van de Nationale Bank van België (1850-1940)”, in Ons Heem, jg.53, 1999, nr.1 Papiergeschiedenis, p. 37-47.
  • Monestrier M., L’art du papier monnaie, Paris, éd. du Pont Neuf, 1982.
  • Rudel J. (dir.), Les techniques de l’art, Paris, Flammarion, coll. Tout l’art. Encyclopédie, 2003.

One Comment

  1. Posted 14/04/10 at 21:24 | Permalink

    Catherine,
    Superb Article.

    I hope you don’t mind me being a pedant! Although my Latin is rusty, I would have translated “fiducia” as “assurance”, with “fides” meaning “trust” in most contexts. Of course I could be totally wrong.

    Again, this doesn’t take away from a very informative and well written article.

    Thanks
    Simon

    Simon,
    Thank you for your comment on our blog and your interest in our Museum. Indeed, the Latin word fiducia can mean either assurance or confidence as well as trust. It is a bit like confiance in French! According to the Collins Latin-English dictionary, fiducia = assurance, confidence; (law) trust, security.