Iedereen miljardair?!  Share

Printversie

In het museum van de Nationale Bank van België vallen verschillende zogenaamde ‘inflatiebiljetten’ te bezichtigen. Opvallend zijn vooral het biljet van vijfhonderd miljard dinar, en dat van een miljoen biljoen Hongaarse pengo (1.000.000.000.000.000.000 pengo!).

Hoewel velen wellicht dromen van een dergelijk biljet in hun portefeuille – of liever op hun bankrekening – vertegenwoordigden deze biljetten in werkelijkheid een zeer lage waarde. In november 1923 moest je in Duitsland bijvoorbeeld 140 miljard mark neertellen voor een brood. In januari 2009 werd in Zimbabwe een biljet van honderdduizend miljard Zimbabwaanse dollar uitgegeven, dat op de zwarte markt slechts een waarde had van amper 230 euro. Hoewel in beide landen bijna iedereen ‘miljonair’ of ‘miljardair’ was, heerste er een enorme werkloosheid en armoede. In juni 2009 had 95 % van de Zimbabwanen bijvoorbeeld geen officiële job.

Tienduizend miljard Zimbabwaanse dollar

Tienduizend miljard Zimbabwaanse dollar

Om dit alles te begrijpen, moeten we even stilstaan bij de begrippen inflatie en vooral hyperinflatie. Inflatie verwijst naar het stijgingstempo van het gemiddelde prijspeil in een economie. Een lage inflatie betekent dat de prijzen langzaam toenemen; een hoge inflatie houdt in dat de prijzen snel stijgen. Als de prijzen sterker stijgen dan de lonen, daalt de koopkracht; waardoor inflatie ook synoniem staat voor geldontwaarding. De prijsstijgingen kunnen verschillende oorzaken hebben, zoals duurdere grondstoffen (kostinflatie); een vraag die groter is dan het aanbod (vraaginflatie), of een overmatige geldhoeveelheid. Op zich hoeven prijsstijgingen geen probleem te vormen: in de eurozone wordt zelfs een jaarlijkse stijging van de consumptieprijsindex van minder, maar dicht bij 2 % nagestreefd. Een beperkte prijsstijging is namelijk gunstig voor de economie, omdat het mensen aanzet om goederen te kopen. Een aankoop uitstellen, betekent dan immers dat men meer zal betalen voor hetzelfde product. De prijsstijgingen worden pas een probleem als de stijgingspercentages te groot worden. Dit is zeker het geval bij hyperinflatie. In een dergelijke situatie kunnen de prijzen van maand tot maand toenemen, of van dag tot dag. Op het hoogtepunt van de Duitse hyperinflatie in 1923, stegen de prijzen zelfs ieder uur. Arbeiders werden tweemaal per dag uitbetaald, zodat ze ‘s middags snel goederen zouden kunnen kopen, die ‘s avonds alweer in prijs verdubbeld zouden zijn. Geld was zodanig in waarde afgenomen, dat men meer betaalde om brandstof aan te kopen, dan als men de biljetten zelf als brandstof gebruikte.

In 1923 had de Duitse mark zodanig zijn waarde verloren, dat het door kinderen als speelgoed gebruikt werd

In 1923 had de Duitse mark zodanig zijn waarde verloren, dat het door kinderen als speelgoed gebruikt werd

Hoge inflatie en zeker hyperinflatie gaan steeds gepaard met instabiliteit. Omdat niet te voorzien valt hoeveel de prijzen zullen stijgen, kunnen bedrijven nauwelijks nog aan langetermijnplanning doen, en staan ze huiverachtig tegenover grote investeringen. In een geval van hyperinflatie kan spaargeld bovendien van de ene op de andere dag waardeloos worden, wat een grote onvrede met zich meebrengt. Veelal gaat hyperinflatie dan ook gepaard met een ‘run on the bank’, waarbij mensen hun spaargeld van de bank halen om het te beleggen in buitenlandse valuta, of om vastgoed aan te kopen. Hoe langer de prijsstijgingen aanhouden, hoe meer biljetten men nodig heeft om te betalen, of hoe hoger de vermelde bedragen worden. Dit bemoeilijkt het betalingsverkeer aanzienlijk. Voor de kleinste aankoop heeft men immers grote sommen geld nodig. In Zimbabwe hield men biljetten dan ook niet meer bij in portefeuilles, maar in rugzakken; in Duitsland koos men zelfs voor kruiwagens!

Een straatveger veegt de waardeloos geworden Hongaarse pengo bijeen na de geldsanering in 1946

Een straatveger veegt de waardeloos geworden Hongaarse pengo bijeen na de geldsanering in 1946

De precieze oorzaken van hyperinflatie verschillen van geval tot geval, maar een ontwrichte economie is steeds één van de hoofdoorzaken, naast een veel te ruime geldhoeveelheid. De combinatie van beiden leidt onvermijdelijk tot een enorme prijsstijging. Men heeft immers meer geld te besteden aan minder producten, waardoor de prijs van die producten de hoogte in gaat. Zolang de staat geen geldsanering doorvoert, en doorgaat met geld in omloop te brengen, blijven de prijzen steeds stijgen. Dit was zowel het geval tijdens de Franse Revolutie en de Duitse hyperinflatie van 1923, als tijdens de meer recente hyperinflaties in Joegoslavië en Zimbabwe. In het laatste geval werd de hyperinflatie pas begin 2009 een halt toegeroepen, toen de Amerikaanse dollar als officieel betaalmiddel werd ingevoerd in Zimbabwe, en de Zimbabwaanse dollar uit het straatbeeld verdween. Binnen een tijdsbestek van enkele maanden werd een inflatie van ettelijke miljoenen procenten omgebogen tot een negatief inflatiecijfer! In september 2008 bedroeg het officiële inflatiecijfer in Zimbabwe 11.3 miljoen procent per jaar; terwijl onofficieel werd aangenomen dat het 15 miljard procent was. Dit houdt in dat goederen in één jaar tijd 150 miljoen maal duurder werden. In maart 2009 – kort na de invoering van de Amerikaanse dollar als officieel betaalmiddel – was er sprake van een deflatie van 3 %.

Maarten De Grauw
Museumgids

Bibliografie

  • Black J, Hashimzade N. & Myles G., A dictionary of Economics, Oxford, 2009.
  • “Loads of money”, in The Economist, 23/12/1999.
  • “The struggle goes on”, in The Economist, 4/07/2009.
  • “Zimbabwe schrapt twaalf nullen van zijn dollar”, in De Morgen, 02/02/2009
  • “Zimbabwe aanvaardt buitenlandse valuta als betaalmiddel”, in De Standaard, 10/09/2008.
  • “Zimbabwe kampt na hyperinflatie nu met deflatie”, in De Standaard, 24/03/2009.