De sterling: een middeleeuwse handelsmunt  Share

Printversie (pdf)

In de loop van de geschiedenis groeide slechts een beperkt aantal munten tot internationale handelsmunten uit. Om ook buiten het eigen gebied van uitgifte aanvaard te worden, moest een munt aan een aantal voorwaarden voldoen met betrekking tot haar gewicht, gehalte en waarde en diende ze over een ruime bekendheid te beschikken. Vanaf het einde van de 12e eeuw voldeed de Engelse sterling hieraan ruimschoots; hij genoot in heel Noordwest-Europa de reputatie een betrouwbare en sterke zilvermunt te zijn, in tegenstelling tot de penningen van het vasteland die gaandeweg sterk in waarde waren gedaald. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden, eerst in Vlaanderen, daarna ook in Brabant en Henegouwen, maakten de kooplui gretig gebruik van deze munt. Ook in het NBB museum bevinden zich enkele sterlingen.

Sterling van Robrecht van Bethune (1305-1322)

Sterling van Robrecht van Bethune (1305-1322) Op de voorzijde prijkt het gekroonde hoofd van de graaf naar links, uit de legende van de keerzijde (MONETA ALOSTEN) kan men afleiden dat de munt in Aalst is geslagen.

Reeds in de laat-Romeinse tijd werd er in de Lage Landen textiel (“laken”) geproduceerd op basis van inlandse wol. Op de nog niet ingedijkte schorren langs de kust graasden grote kudden schapen die voldoende wol leverden om aan de binnenlandse vraag te voldoen. In de 12e eeuw voltrok zich een grondige wijziging. De productie verlegde zich van het platteland naar de snel groeiende steden (Ieper, Gent, Brugge, later ook Brussel en Antwerpen) en als grondstof gebruikten de wevers voortaan Engelse wol in plaats van inlandse. Het resultaat was een hoogwaardig luxeproduct dat voor de export bestemd was. De Engelse weiden met hun grote vochtigheid en hun schrale grond leverden immers een soort gras waarvan de schapen een bijzonder fijne en veerkrachtige wollen vacht kregen. Om die reden was de vraag naar Engelse wol zogoed als onelastisch; noch de inlandse, noch de occasioneel ook ingevoerde Spaanse wol boden een volwaardig alternatief.

De aanvoer van Engelse wol naar het vasteland, in zakken of als vachten met de huid er nog aan, nam ongekende afmetingen aan. De Vlaamse en Brabantse kooplui en wevers betoonden zich erg actief in dit vlak. Ze begaven zich hoogstpersoonlijk naar Engeland, naar de gronden van de soms ver afgelegen Cisterciënzerabdijen waar de schapen bij voorkeur gehoed werden. Op de lokale wolmarkten, gaven ze niet zelden voorschotten op een toekomstige levering, waardoor ze dus rechtstreeks in de wolproductie zelf ingrepen. De verscheping vond plaats vanuit Londen en andere havens zoals Great Yarmouth, King’s Lynn, Dover, Sandwich en Boston.

wolhandel

De handelaars van het vasteland begaven zich persoonlijk naar Engeland om wol aan te kopen. Let op de schaapjes op de achtergrond en op de handbewegingen van de kooplui; nadat de koop met een handdruk of -klap is afgesloten, gaat de koper in zijn geldtas om hetzij het volledige bedrag, hetzij een voorschot te betalen.

Voor hun wolaankopen hadden de Zuid-Nederlandse kooplui Engelse munten nodig; ze werden goede klanten bij de Engelse muntateliers waar ze de lichte penningen uit de Nederlanden of zilveren baren inwisselden tegen Engelse sterlingen. Zo komt het dat in de middeleeuwse ontvangstrekeningen van de Munt van Londen de namen van Ieperse en Brusselse handelaars broederlijk naast deze van Engelse klanten genoteerd staan. Bij hun terugkomst lieten zij hun surplus aan Engels geld niet steeds opnieuw omsmelten tot Nederlandse penningen, maar gaven ze er soms de voorkeur aan de vreemde munten op te potten tot de volgende reis. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zich in de 13e-eeuwse muntschat die in 1908 tijdens de afbraak van een keldermuur in het huis nr. 32 van de Brusselse Stormstraat werd aangetroffen, niet minder dan 80.927 Engelse sterlingen bevonden.

Weldra groeide het besef bij de Nederlandse vorsten en kooplui dat aanzienlijke besparingen konden worden gerealiseerd door zelf en in eigen land sterlingen te slaan in plaats van ze in de Engelse muntateliers aan te kopen. Vanaf omstreeks 1270 sloegen ze dan ook, naast de gewone lichte penningen, munten ter waarde van één en twee sterling. De imitatiesterlingen hadden hetzelfde gewicht en gehalte als hun buitenlandse modellen. De beeldenaars waren op de voorzijde zeer gevarieerd: sommigen vertoonden net zoals de Engelse een aanziende koningsbuste of een variante hiervan, anderen toonden een geheel eigen beeldenaar. Op de keerzijde daarentegen werd het kruis met drie bolletjes tussen de armen vrijwel algemeen van het Engelse model overgenomen. Onder druk van de toenemende vraag naar hoogwaardig geld boette de sterling vanaf omstreeks het midden van de 14e eeuw aan belang in ten voordele van de zilveren groot die drie sterling waard was en van de gouden munten.

Marianne Danneel
Museumcoördinator

Bibliografie:

  • Lloyd T.H., The English wool trade in the Middle Ages, Cambridge, 1977.
  • Munro J.H., Wool, cloth and gold. The struggle for bullion in Anglo-Burgundian trade (1340-1478), Brussel, 1973.
  • Mayhew N.J., Sterling imitations of Edwardian type, London, 1983.
  • Mayhew N.J., “De sterling”, in Een munt voor Europa, Brussel, 1991, p. 91-96.