De consumptieprijsindex  Share

Printversie (pdf)

Hoewel ze vaak in het nieuws voorkomen, zijn de begrippen “koopkracht” en “inflatie” niet altijd gemakkelijk te begrijpen. Daarom verschaft zaal 14 van het Museum van de Nationale Bank van België didactische uitleg over die thema’s. Hier is het prijsverloop van een aantal producten (brood, vlees, melk, bier en steenkool of olie) tussen 1860 en vandaag goed te volgen, zeker ten opzichte van de ontwikkeling van de gemiddelde uurlonen voor een arbeider. De vereenvoudigde tafelopstelling is daarmee goed te vergelijken met het gelijklopende principe van de consumptieprijsindex (CPI).

winkel

winkel

De consumptieprijsindex is een economisch hulpmiddel dat wordt gebruikt om de prijsveranderingen van een reeks goederen en diensten te observeren. Deze index wordt metaforisch de “boodschappenkorf” genoemd, omdat de geselecteerde goederen en diensten steeds belangrijk zijn voor het beheren van een huishoudbudget. Hij helpt ons om de hoeveelheid inflatie te meten. Inflatie is namelijk de algemene prijsverhoging van die gekozen producten gedurende een bepaalde periode.

Aangezien het niet mogelijk is de prijzen van alle producten in het oog te houden, moet er een weloverwogen selectie worden gemaakt. De goederen en diensten die het belangrijkst zijn voor de huishoudens, kunnen gemakkelijk worden geselecteerd met behulp van vragenlijsten en enquêtes over het consumptiegedrag van de gezinnen. Sommige van de geselecteerde items zullen bovendien zwaarder doorwegen in de index omdat ze belangrijker zijn of meer worden gebruikt. Zodra die classificatie klaar is, kan de observatie van de prijzen beginnen.

De eerste consumptieprijsindex in België dateert uit 1919 en werd ingevoerd door Joseph Wauters, minister van Arbeid, Industrie en Ravitaillering. Bij de publicatie van de index in 1920 bevatte hij slechts een kleine hoeveelheid goederen: 56 producten, waarvan de meeste eetbaar. In tegenstelling tot onze huidige index wogen alle goederen toentertijd voor dezelfde hoeveelheid door in de berekening. Ondanks dit gebrek aan nuances had de index toch reeds een praktisch doel, zijnde het handhaven van de koopkracht, dat is de mogelijkheid om bepaalde zaken aan te kopen met een bepaald bedrag. De koopkracht daalt als het vooropgestelde bedrag stijgt, behalve wanneer de lonen en uitkeringen ook toenemen.

Tafel van de prijsevolutie

Tafel van de prijsevolutie

De consumptieprijsindex is dus in het leven geroepen om onder meer de lonen en andere voordelen aan de kosten van levensonderhoud te kunnen aanpassen. Sinds 1919-1920 is dit doel niet veranderd, hoewel de index op zich wel duidelijk is geëvolueerd. De geselecteerde reeks goederen en diensten is overduidelijk vergroot: van 56 producten in 1919 naar 507 goederen en diensten in 2004. Bovendien kregen alle items in de korf een aangepaste weging die afhangt van hun belang voor het huishoudbudget. In 1994 werd een speciale variant van de index gecreëerd, de gezondheidsindex. Dit is eigenlijk een “light” versie van de boodschappenkorf, die de prijzen van olie, tabak en alcohol buiten beschouwing laat.

Vanaf dat moment was het enkel de gezondheidsindex die aanleiding gaf tot het verhogen van huur, lonen en uitkeringen. Deze lonen en uitkeringen worden in verschillende stappen geïndexeerd en dit enkel als de zogenoemde “spilindex” wordt overschreden. Dat is het geval wanneer het gemiddelde cijfer van de laatste vier gezondheidsindexen groter is dan het cijfer van de spilindex. Deze spilindex is dus eigenlijk een vooraf vastgelegde grens tot waar prijzen maximaal mogen stijgen alvorens er een indexatie van de lonen en uitkeringen nodig is.

Tot zover de theorie; uit praktisch oogpunt bekeken worden de prijzen van de boodschappenkorf elke maand geregistreerd, en dat in 65 representatieve steden in België. De verschillende prijsgemiddelden worden daarna uitgerekend. Uiteindelijk meet de index dus de mate van prijsvariatie ten opzichte van het referentiejaar 2004. Het jaarlijkse inflatiecijfer wordt dan berekend door de waarde van de jaar op jaar opeenvolgende boodschappenkorven te vergelijken. Dit cijfer wordt steeds uitgedrukt in een percentage dat het verschil aangeeft met de prijzen van twaalf maanden voordien.

Om het doel van de consumptieprijsindex te bereiken, moet er uiteraard een zo precies mogelijke simulatie worden gemaakt van de consumptie van huishoudens. Dit lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend, maar is allerminst gemakkelijk te realiseren. Tot 2006 vond namelijk slechts om de vijf tot acht jaar een volledige update van de boodschappenkorf plaats. De index van januari 2006 heeft dan uiteindelijk enkele methodologische verschillen geïntroduceerd. Hier werden namelijk niet alleen maatregelen genomen om de veranderende kwaliteit van producten beter in rekening te brengen, maar er werd ook een tweejaarlijkse herziening ingevoerd, zodat nieuwe producten sneller hun weg naar de korf zouden vinden of nog een herweging kon plaatsvinden. Hoewel deze aanpassingen natuurlijk nooit het systeem waterdicht kunnen maken, helpen ze wel de representativiteit van de gezinsconsumptie te verhogen en de aandacht op nieuwe consumptiegoederen te vestigen. De index wordt nog steeds om de vijf tot acht jaar volledig herzien. Ten slotte blijft er nog slechts één element dat de representativiteit kan verlagen, namelijk dat de index geen rekening houdt met de gewoonte van mensen om een product waarvan de prijs stelselmatig hoog blijft, te vervangen door een goedkopere variant.

Naast die nationale indexen bestaat er nog een derde hulpmiddel om de koopkracht te volgen: de geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP). Deze werd ontwikkeld als een grootschalig economisch hulpmiddel in de Europese Unie, maar wordt vooral gebruikt binnen het eurogebied. Die index meet het prijsverloop op een geharmoniseerde manier. Tot 1997 liepen de nationale indexen van de verschillende landen op methodologisch vlak immers nogal uiteen. Elke individuele index had zijn eigen specifieke regels en gebruiken. De eerste nationale geharmoniseerde indexen werden dan gepubliceerd in 1997. Op basis hiervan kan Eurostat (het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie) sindsdien een HICP van het volledige eurogebied of de volledige Europese Unie opstellen. Hierdoor is het dus mogelijk een beter inzicht te krijgen in de prijsstijgingen binnen de gekozen geografische afbakening. Dit is voor het Eurosysteem natuurlijk erg kostbare informatie om een gezamenlijke monetaire strategie uit te werken.

Cyrielle Doutrewe
Museumgids

Bronnen