- Museum of the National Bank of Belgium - https://www.nbbmuseum.be/nl -

De voorgevel van het Museum van de Nationale Bank van België

Voordat we de oudste voorgevel van de bank in detail bekijken, een woordje uitleg over het Hotel van de gouverneur zelf. Het Franse woord “hôtel” werd al sinds de 18e eeuw gebruikt om de, permanente of tijdelijke, stedelijke woning van een persoon met een hoge rang aan te duiden, in dit geval de gouverneur van de Nationale Bank van België. De statuten van de bank schreven voor dat de gouverneur in de hoofdstad moest wonen. In ruil daarvoor was de bank verantwoordelijk voor de meubilering en onderhoudskosten van zijn woonst.

hotel van de gouverneur
Het eerste onderkomen van de Nationale Bank was een huurpand aan de Warmoesberg. Daarna volgde een iets langer verblijf in een herenhuis dat door de bank was aangekocht in de Koningsstraat. Eind 1860 werden de werken aangevat op de site aan de Wildewoudstraat. De verhuizing gebeurde in twee fasen: in 1865 namen de bank en de administratieve diensten er hun intrek en twee jaar later volgde de gouverneur met zijn familie.

Enkele gouverneurs vonden deze woonst, ondanks haar prestige, te groot, te kil en ongeschikt voor een familiaal leven. Sommigen woonden er niet permanent en brachten het grootste deel van hun vrije tijd door in hun tweede woning. Vanaf 1957 doet het Hotel geen dienst meer als woonst voor de gouverneur, hoewel het nog steeds beschouwd wordt als zijn officiële residentie en er nog officiële ontvangsten en recepties plaatsvinden.

architect Hendrik BeyaertDe gebouwen van de bank zijn van de hand van de architecten Hendrik Beyaert (Kortrijk, 1823 – Brussel, 1894) en Wynand Janssens (1827 – 1913). De invloed van de klassieke stijl van de Parijse Ecole des Beaux-Arts blijkt duidelijk uit de symmetrie in de voorgevel. Maar Hendrik Beyaert wordt ook beschouwd als één van de belangrijke figuren van de Belgische eclectische architectuur. Deze stijl, of architecturale beweging, die elementen ontleende aan verschillende stijlen uit het verleden, was erg in trek in het Westen vanaf 1860 tot 1920.

Toen de Nationale Bank in 1859 enkele panden kocht aan de Wildewoudstraat, werd ook de ruimtelijke ordening van de stad grondig aangepakt om rekening te houden met stedebouwkundige eisen, gezondheidsvoorschriften en bevolkingstoename. De keuze van de vestigingsplaats voor de bank tussen het stadscentrum waar de handel floreerde, en de wijk waar het politieke gezag gevestigd was, wijst op haar positie als een insteling in volle opgang, die door de Staat in het leven was geroepen om de economische en financiële ontwikkeling te ondersteunen.

In de eclectische architectuur werd de keuze van de “gepaste stijl” gemaakt op grond van de historische verwijzingen of de morele deugden die de opdrachtgever wenste uit te drukken. De bankarchitectuur, die qua bloei voornamelijk samenviel met het eclecticisme, refereerde vooral aan de late middeleeuwen of de Italiaanse renaissance, perioden waarin bankiers zoals de Florentijnse de Medici een steile opgang maakten op de sociale en politieke ladder. Hoewel Italiaanse elementen niet aanwezig zijn in de voorgevel van het Hotel, trachtte men, net zoals bij andere bankgebouwen, constant het beeld op te roepen van veiligheid, vertouwen en macht.

Al de dragende elementen zijn van baksteen, terwijl de gevel en de wanden van het voorportaal in witte steen uitgevoerd zijn. De erg rijke decoratie herneemt elementen die werden ontleend aan het klassieke vocabularium van de Schone Kunsten zoals guirlandes, rozetten en palmetten. De symmetrie van de voorgevel is schatplichtig aan de Schone Kunsten door de toepassing van de canon van de klassieke verhoudingen zoals de gulden snede. Het interieur van het Hotel, ingericht volgens de Second Empire-stijl, illustreert het uitgangspunt van de architecten die begaan waren met het “totaal” concept van hun gebouw. Ze ontwierpen dan ook zelf elk detail van de tafels, dressoirs, haardijzers tot en met de poten van de meubels

Het “monumentale en grandioze” effect van het gebouw valt meteen op. De voorgevel, die lichtjes terugwijkt, wordt geflankeerd door twee monumentale risalieten of uitspringende uitbouwen die elk geflankeerd worden door twee kariatiden. Deze vier vrouwenbeelden symboliseren de Handel, de Industrie, de Landbouw en de Schone Kunsten. Kortom “de voornaamste bronnen van de openbare welvaart” zoals het luidde in het programma dat de architecten in mei 1863 aan gouverneur de Haussy hadden gestuurd. Ze werden niet voorzien op het originele plan van Hendrik Beyaert. De twee rechtse boven de privé-ingang voor de gouverneur, momenteel ook de ingang tot het Museum, worden toegeschreven aan Leopold Wiener (beeldhouwer, medailleur en graveur: Venlo (Nl), 1823 – Brussel, 1891), beide linkse standbeelden boven de vroegere ingang voor het publiek zijn van de hand van Egide Mélot (Antwerpen 1817 – Schaarbeek 1885). Deze Belgische beeldhouwer was degene die onder meer ook zorgde voor de decoratie van de Beurs en het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel.

De provinciale wapenschilden zijn terug te vinden boven de zeven ramen van de bovenverdieping. Op de ereplaatsen, de vensters van de risalieten, prijken de wapens van Brabant en Antwerpen, de provincies van de twee belangrijkste vestigingen van de bank. Tussen de vensters, in de bovenste lijst, wemelt het van cartouches met trofeeën die gewijd zijn aan morele thema’s en economische activiteiten, zoals recht, militaire eer, textielindustrie, mijnbouw, metaalnijverheid en scheepvaart. Sommige van deze thema’s, zoals het recht en de scheepvaart, worden hernomen op de lambrisering van de zaal van de algemene vergadering (zaal 3).

beeld van een zittende vrouwHet fronton boven de ingang van het Hotel heeft als centrale afbeelding een bijenkorf, het symbool van de bezige gemeenschap, die wordt omgeven door een locomotief en een dynamo: “de jongste en schitterendste parels aan de kroon van het nationale, industriële genie”. De bijenkorf is ook terug te vinden in de plafonddecoratie van het bureau van de gouverneur (zaal 1). Het fronton van de publieksingang is versierd met de boeg van een schip en de namen van de belangrijkste havens van het land: Antwerpen, Oostende, Gent en Luik,. Op beide frontons troont een allegorisch beeld van een zittende vrouw, resp. de Vrede en de Arbeid. Deze beelden in Savonnières-kalksteen zijn van de hand van Edouard Fiers (Ieper, 1822 – 1894).

Verder wemelt de voorgevel van talloze ornamenten zoals vazen, schelpen, rozetten en friezen.

We letten dus maar best op wanneer we door de hoofdstad flaneren. Er zijn immers nog veel andere Brusselse voorgevels met gelijkaardige verborgen geheimen.

Nathalie Dumoulin
Museumgids

Bronnen