Het eerste Europese bankbiljet duikt op in … Zweden  Share

In het kortDe Stockholm Banco, de toekomstige centrale bank van Zweden, opgericht in 1657, schreef mee aan een stukje geschiedenis van het geld- en bankwezen. De bank bracht voor het eerst biljetten uit in de moderne betekenis van het woord. In tegenstelling tot het voormalige papiergeld, verwezen de gedrukte formulieren niet meer naar een deponent, een deposito of een rente. De Zweedse bankier Johan Palmstruch, stichter van de Stockholm Banco, en ook Zweden zijn rijke verleden aan oorlogvoering lagen ten grondslag van die nieuwe kredietbiljetten. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en ook de conflicten met Polen en Denemarken zorgden voor een hoge overheidsschuld met een snelle ontwaarding van de kopparplätmynt of koperplaatgeld als gevolg. Papiergeld bleek voor Palmstruch al snel een beter alternatief voor die lompe koperen platen, die sinds 1644 in Zweden gebruikt werden als betaalmiddel. Bovendien devalueerde in 1660 het kopergeld ten opzichte van het daler zilvergeld met 17%, waardoor de nieuw aangemaakte platen en stuk minder wogen dan de oude. Om een stormloop op de bank te voorkomen van klanten die hun oude platen wilden uitvoeren om te verkopen voor hun metaalwaarde, kreeg de bank de toestemming om kredietbiljetten of kreditivsedlar uit te geven. In België verschenen de eerste biljetten pas in 1837.

 

palmstruch1

Kopparplätmynt of koperplaatgeld © Museum van de Nationale Bank van België

In 1654 veroorzaakte de jonge Zweedse koningin Christina heel wat beroering toen ze uit geloofsovertuiging afstand deed van haar troon. Haar extravagante levensstijl en de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) hadden het land opgezadeld met zware schulden en totaal ontspoorde overheidsfinanciën. Haar neef en opvolger, Karel X Gustavus, maakte door oorlog te voeren met Polen en Denemarken de schatkist verder leeg.

Deze voortdurende oorlogen ontwrichtten de Zweedse economie en zorgden voor een snelle ontwaarding van de kopparplätmynt of koperplaatgeld. Dit geld werd voor het eerst gebruikt in 1644 en mag uniek worden genoemd, want het was niet bepaald kleingeld. Een plaat met een tegenwaarde van 10 daler zilvergeld bijvoorbeeld mat 30 bij 70 cm en woog bijna 20 kg. Een heel speciale toestand dus toen Johan Palmstruch op 30 november 1656 het koninklijk privilege kreeg om in Zweden een bank op te richten.

Johan Palmstruch, geboren in Riga in 1611, trok als jongeman naar Amsterdam. Hij werd er in 1639 gearresteerd omdat hij onvermogend zou zijn geweest. Zijn schuldeisers vreesden dat hij het land zou verlaten zonder zijn schulden af te lossen. Palmstruch gaf evenwel een andere versie van het verhaal en hield vol dat hij voldoende middelen had. Speelde economische spionage een rol? Niet uitgesloten, want later verwees hij voortdurend naar de Bank van Amsterdam als voorbeeld.

Palmstruch stichtte de “Stockholm Banco” in 1657. Formeel ging het om een privébank, maar door diverse regeringsmaatregelen verwierf zij het karakter van een overheidsinstelling. De helft van de nettowinst ging naar de overheid en douaneheffingen en accijnzen moesten via de bank worden betaald. Ze raakte zo nauw betrokken bij de administratie van de overheidsfinanciën. De eerste jaren liepen de zaken gesmeerd maar, zoals later zou blijken, was er sprake van een slordige boekhouding, een aanzienlijk tekort aan kasgeld en werden leningen in de vorm van kreditivsedlar of kredietbiljetten al te vlot toegestaan.

Wat heeft Johan Palmstruch ertoe geleid om deze kredietbiljetten in omloop te brengen?

depositobewijs

Voorzijde Zweeds kredietbiljet uit 1666 © Museum van de Nationale Bank van België

Omdat de zware, logge koperplaten op zijn zachtst gezegd zeer onhandig waren voor grote betalingen, had papiergeld al ingang gevonden in Zweden. Het waren geen echte biljetten, maar niet-rentedragende depositobewijzen. Klanten van de Stockholm Banco hadden een groot deel van hun koperplaten in ruil voor papiergeld gedeponeerd in de bankkluizen. In 1660 devalueerde het kopergeld ten opzichte van het zilvergeld met 17%. De nieuwe platen wogen voortaan een stuk minder dan de oude. De klanten van de bank eisten hun oude platen op om ze te verkopen voor hun metaalwaarde. Palmstruch zag dat zijn bank zonder activa zou komen te zitten en vroeg toestemming om kredietbiljetten of kreditivsedlar uit te geven. Een ontwerp van koninklijk besluit voorzag in biljetten met wettige betaalkracht, een verbod van uitgifte aan personen die geen deposito’s hadden bij de bank, biljetten in vier verschillende munteenheden: dukaten, riksdalers, dalers zilvermunt en dalers kopermunt in denominaties van 100 tot 1.000. Dat de biljetten deels met de hand zouden worden aangevuld had een belangrijk praktisch voordeel, want er werden niet minder dan 76 verschillende coupures voorzien: 19 per munteenheid! Bij de bespreking van het ontwerp koninklijk besluit werd afgezien van de wettige betaalkracht. De biljetten zouden vrij circuleren, zonder enige verplichting, maar … de belastinginner werd wel verplicht de biljetten als betaling te aanvaarden. De overheid beschouwde deze biljetten de facto dus wel als wettig betaalmiddel. Aangezien de bank leningen verleende met kredietbiljetten werden in de praktijk ook biljetten uitgegeven aan personen die geen deposito’s hadden in de bank.

depositobewijs

Keerzijde Zweeds kredietbiljet uit 1666 © Museum van de Nationale Bank van België

De eerste biljetten werden in 1661 uitgegeven in daler kopermunt en daler zilvermunt, maar daarvan werd geen enkel exemplaar bewaard. Tussen 1662 en 1664 volgden verschillende uitgiften, maar de meest bekende biljetten dateren van 1666, de zgn. Palmstruchers. Voor deze biljetten werd dik wit handgeschept papier gebruikt met het woord BANCO als watermerk. Binnen een versierde rand bevinden zich de tekst, gedrukt in zwarte inkt, de handtekeningen en de stempels. Ook het exemplaar in het museum dateert van dat jaar: An 1666, 30 January. De eerste drie cijfers van de datum zijn gedrukt, de rest en het serienummer werden met de hand aangevuld. Behalve de persoonlijke stempels van de ondertekenaars komt het stempel van de Stockholm Banco in drie verschillende formaten op het biljet voor: tweemaal tussen de handtekeningen en eenmaal voor het nummer. Op de keerzijde van het biljet nogmaals de waarde, het nummer en een handtekening. Aan de achterkant van de droogstempels zijn papiersnippers aangebracht ter versteviging van het papier. De biljetten werden uitgegeven in papieren omslagen.

Door de uitgifte van deze kreditivsedlar verwierf Palmstruch een plaats in de geschiedenis van het geld- en het bankwezen. Hoewel er voordien reeds papiergeld in omloop was, kunnen zijn biljetten beschouwd worden als biljetten in de moderne betekenis van het woord: het zijn gedrukte formulieren met afgeronde bedragen en zonder verwijzing naar een deponent, een deposito of een rente. De biljetten zijn betaalbaar op zicht. Het bezit van het  document was op zich een vordering ten opzichte van de bank. Ten slotte werden de biljetten gewaarborgd door een instelling met de status van een centrale bank. In België was het nog wachten tot 1837 vooraleer de Algemeene Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt, beter bekend als de Société Générale, haar eerste biljetten in Belgische franken in omloop bracht.

Ingrid Van Damme
Museumgids

Bibliografie

  • Wiséhn I., Sweden’s Stockholm Banco and the first European Banknotes in Hewitt, V., The Banker’s Art. Studies in Paper Money, London, British Museum Press, 1995.