Het eerste Europese bankbiljet duikt op in … Zweden  Share

palmstruch1
In 1654 veroorzaakte de jonge Zweedse koningin Christina heel wat beroering toen ze uit geloofsovertuiging afstand deed van haar troon. Haar extravagante levensstijl en de recent beëindigde Dertigjarige oorlog (1618-1648) hadden het land opgezadeld met zware schulden en totaal ontspoorde overheidsfinanciën.

Haar neef en opvolger, Karel X Gustavus, liet door verdere oorlogvoering met Polen en Denemarken de schatkist verder leeglopen. Deze aanslepende oorlogen ontwrichtten de Zweedse economie en zorgden voor een snelle ontwaarding van de kopparplätmynt of koperplaatgeld. Dit geld dat voor het eerst werd gebruikt in 1644 mag wel uniek genoemd worden, want het was niet bepaald kleingeld. Een plaat met een tegenwaarde van 10 daler zilvergeld bijvoorbeeld was 30 bij 70 cm groot en woog bijna 20 kg. De toestand zag er dus niet bepaald rooskleurig uit toen Johan Palmstruch op 30 november 1656 het koninklijk privilege kreeg om in Zweden een bank op te richten.

Johan Palmstruch, geboren in Riga in 1611, trok als jongeman naar Amsterdam waar hij na een paar jaar in de cel belandde. Hij werd er in 1639 gearresteerd omdat hij zogezegd onvermogend was en zijn schuldeisers vreesden dat hij het land zou verlaten zonder zijn schulden af te lossen. Palmstruch gaf evenwel een andere versie van het verhaal en hij hield voet bij stuk dat hij voldoende middelen had. Speelde economische spionage dan een rol? Het zou best kunnen, want later verwees hij voortdurend naar de Bank van Amsterdam als voorbeeld.

Palmstruch stichtte de “Stockholm Banco” en hij startte zijn activiteiten in 1657. Formeel was deze bank een privébank maar door diverse regeringsmaatregelen kreeg zij in feite het karakter van een overheidsinstelling. Zo bijvoorbeeld kwam de helft van de nettowinst toe aan de overheid en douaneheffingen en accijnzen moesten betaald worden via de bank. Zo raakte deze nauw betrokken bij de administratie van de overheidsfinanciën. De eerste jaren liepen de zaken gesmeerd maar, zoals later zou blijken, was er sprake van een slordige boekhouding, een aanzienlijk tekort aan kasgeld en werden leningen in de vorm van kreditivsedlar of kredietbiljetten al te vlot toegestaan.

Wat heeft Johan Palmstruch ertoe geleid om deze kredietbiljetten in omloop te brengen?

depositobewijsOmdat de zware, logge koperplaten op zijn zachtst gezegd zeer onhandig waren voor grote betalingen had papiergeld al ingang gevonden in Zweden. Dit waren nog geen echte biljetten maar niet-rentedragende depositobewijzen van het Wisseldepartement en promesses. Klanten van de Stockholm Banco hadden een groot deel van hun koperplaten gedeponeerd in de bankkluizen in ruil voor papiergeld. Maar in 1660 devalueerde het kopergeld ten opzichte van het daler zilvergeld met 17% en de nieuw aangemaakte platen wogen dus een stuk minder dan de oude platen. De bank kreeg zo een stormloop van klanten te verwerken die hun oude platen opeisten om ze uit te voeren en te verkopen voor hun metaalwaarde. Palmstruch voorzag dat zijn bank zonder activa zou komen te zitten en vroeg toestemming om kredietbiljetten of kreditivsedlar uit te geven. Een ontwerp van koninklijk besluit voorzag in biljetten met wettige betaalkracht, een verbod van uitgifte aan personen die geen deposito’s hadden in de bank, biljetten in vier verschillende munteenheden: dukaten, riksdalers specie, dalers zilvermunt en dalers kopermunt, en in denominaties van 100 tot 1000. Dat de biljetten deels met de hand zouden worden ingevuld had een belangrijk praktisch voordeel want er werden niet minder dan 76 verschillende coupures voorzien: 19 per munteenheid! Bij de bespreking van dit ontwerp door de Koninklijke Raad wou men echter niet weten van wettige betaalkracht. De biljetten zouden vrij circuleren zonder enige verplichting maar … de belastinginner werd wel verplicht de biljetten aan te nemen als betaling. De overheid beschouwde deze biljetten dus wel als wettig betaalmiddel, ondanks het ontbreken van enige officiële bekendmaking in die zin. En aangezien de bank leningen verleende in krediebiljetten werden in de praktijk ook biljetten uitgegeven aan personen die geen deposito’s hadden in de bank.

depositobewijsDe eerste biljetten werden uitgegeven in daler kopermunt en daler zilvermunt in 1661 maar daarvan bleef geen enkel exemplaar bewaard. Tussen 1662 en 1664 volgden verschillende uitgiften, maar de meest bekende biljetten zijn deze uit 1666, de zgn. Palmstruchers. Voor deze biljetten werd dik wit handgeschept papier gebruikt met het woord BANCO als watermerk. Binnen een versierde rand bevinden zich de tekst, gedrukt in zwarte inkt, de handtekeningen en de stempels. Ook het exemplaar in het museum dateert van dat jaar: An 1666, 30 January. De eerste drie cijfers van de datum zijn gedrukt, de rest werd met de hand aangevuld evenals het nummer van het biljet. Behalve de persoonlijke stempels van de ondertekenaars komt het stempel van de Stockholm Banco in drie verschillende formaten voor op het biljet: tweemaal tussen de handtekeningen en eenmaal voor het nummer. Op de keerzijde van het biljet staat nogmaals de waarde, het nummer en een handtekening geschreven. Aan de achterkant van de droogstempels zijn papiersnippers aangebracht ter versteviging van het papier. De biljetten werden uitgegeven in papieren omslagen.

Door de uitgifte van deze kreditivsedlar verwierf Palmstruch zich een plaats in de geschiedenis van het geld- en het bankwezen. Hoewel er voordien reeds papiergeld in omloop was, kunnen zijn biljetten beschouwd worden als biljetten in de moderne betekenis van het woord: het zijn gedrukte formulieren met afgeronde bedragen en zonder verwijzing naar een deponent, een deposito of een rente. De biljetten zijn betaalbaar op zicht. Uitsluitend het bezit van zo’n document betekende al een vordering ten opzichte van de bank. Ten slotte waren deze biljetten gewaarborgd door een instelling met de status van een centrale bank. In België was het nog wachten tot 1837 vooraleer de Algemeene Maatschappij ter begunstiging van de volksvlijt, beter bekend als de Société générale, haar eerste biljetten uitgaf in Belgische franken.

Ingrid Van Damme
Museumgids

Bibliografie:

  • Wiséhn I., Sweden’s Stockholm Banco and the first European Banknotes in Hewitt, V., The Banker’s Art. Studies in Paper Money, London, British Museum Press, 1995.