Zout, “zijn gewicht in goud waard” ?  Share

Vandaag de dag gebruiken we zout als smaakstof bij ons eten, bijvoorbeeld op een lekker pak frieten. Maar wist u dat tijdens het grootste deel van onze geschiedenis zout een veel belangrijker plaats innam dan tegenwoordig? In die mate zelfs dat het als betaalmiddel gebruikt werd?

Voordat de ontdekking en verspreiding van elektriciteit en moderne koeltechnieken de uitvinding van de ijskast mogelijk maakte (1923), was zout het belangrijkste bewaarmiddel was, kon men bijvoorbeeld ijskelders gebruiken, maar in Zuid-Europa, Avan vlees, vis en groenten bij uitstek. In onze streken, waar het ’s winters koud genoeg zië, Afrika, … was het veel te warm en was zout een van de weinige mogelijkheden om voedsel lang te bewaren. Dit gold zowelvoor het zouten van vlees, het pekelen van vis als het inmaken van groenten. Bovendien is zout een levensnoodzakelijke stof, zeker voor mensen die veel transpireren. Vandaar dat slaven in warme streken zoals West-Indië zout voedsel te eten kregen, gewoon om te overleven.

Zoutwinning

Zout kan op drie manieren gewonnen worden. Er is zeezout, steenzout (klipzout) en uitgeloogd zout. De winning van zeezout gebeurt op de volgende manier: men laat het zeewater in bekkens stromen zodanig dat het water niet meer weg kan en blijft staan. De zon doet het water vervolgens verdampen en een korst zout blijft achter. Uiteraard moet het wel warm genoeg zijn om het water snel te doen verdampen. Deze methode werd en wordt overal ter wereld gebruikt en gaat terug tot ver in de geschiedenis. Het spreekt voor zich dat kustbewoners hierbij een vrij groot voordeel hadden ten opzichte van mensen die in het binnenland leefden. Anderzijds kon zeewater natuurlijk ook door de mens zelf opgewarmd worden. Zo verwarmden de Romeinen aardkruiken gevuld met pekel en sloegen de kruiken vervolgens stuk waardoor enkel de klomp zout achterbleef.

© W. Wouters

© W. Wouters

Steenzout wordt op zijn beurt gewonnen in mijnen of uit stenen die zich aan de aardoppervlakte bevinden. Het zout ligt meestal onder de vorm van dikke lagen onder de grond, sedimentaire gesteenten afkomstig van verdampte geologische meren. De winning ervan gebeurt op twee manieren: ofwel hakken de mijnwerkers er stukken uit, ofwel spuit men water in de mijn en wordt de pekel bovengronds verdampt.

Een van de grootste mijnen bevindt zich in Polen (de beroemde Wieliczka-zoutmijn). Deze mijn is tegenwoordig werelderfgoed en is al sinds de 15e eeuw een toeristische trekpleister. Copernicus, Goethe en Joannes Paulus II staan op de gastenlijst. Ook in Oostenrijk werden zoutmijnen uitgebaat, vandaar ook de naam van de stad Salzburg. Buiten Europa treffen we zoutmijnen aan in Afrika (Ethiopië, Sahara, Angola), Peru, de V.S., …

Een derde extractiemethode is de lixiviatietechniek (uitloging), een methode die gebruikt wordt in hooggelegen gebieden zonder mijnen (en ver van de kust). Rivierwater bevat immers natuurlijke (zout)oplossingen die men eruit kan puren (bijvoorbeeld in Nieuw-Guinea en in Shaba in Centraal-Afrika).

Zout, betaalmiddel en bron van rijkdom door de eeuwen heen

Hoewel zout dus overal ter wereld te vinden was, bezat het toch een onbetwistbare waarde omdat het aan een universele behoefte beantwoordde. Overal ter wereld vind je bijgevolg sporen van exploitatie, gebruik en vooral handel in zout. Het grote voordeel van zout, met name de noodzakelijkheid en wereldwijde bruikbaarheid ervan, is tegelijk ook een nadeel: aangezien het moest geconsumeerd worden kon men het moeilijk oppotten, vandaar dat het een van de drie cruciale functies van een betaalmiddel (betalen, rekenen en sparen) moeilijker kon vervullen.

In Europa dateert het gebruik zeker al van de 10e eeuw v.C., en wel bij de Kelten. Zij groeven zout op in mijnen, en verhandelden die eeuwenlang met onder andere de Romeinen. Deze namen het gebruik van zout als betaalmiddel van hen over. Zo werden Romeinse soldaten en officieren, maar ook ambtenaren ermee betaald. Vandaar dat het woord salaris, loon dus, zijn oorsprong kent in de Latijnse term “salarium” (afgeleid van “sal” wat zout betekent). En uit de Franse term “solde” (soldij) is ons woord voor “soldaat” afgeleid.

Maar ook het belang van zout tijdens onze recentere geschiedenis is moeilijk te onderschatten. De verwoede pogingen van vele vorsten en staten om een belasting rond dit kostbare goedje op poten te zetten, zijn hier een duidelijk bewijs van. De Franse koning Philippe IV zag er letterlijk goud in en installeerde de “gabelle”, de gevreesde zouttaks, die voor ingenieuze ontduikingsystemen zorgde. Het zout moest echter droog bewaard worden, want door de vochtige huizen van die tijd werd het anders te klonterig voorgebruik. Dicht bij het vuur was de aangewezen plaats. Daar was het echter te gemakkelijk opspoorbaar voor belastinginspecteurs die onverwachts konden binnenvallen op zoek naar het kostbare goed. Bekend uit die tijd zijn de kastelen met daarin stoelen met een ingebouwd zoutreservoir, waar de meid, dichtbij het vuur gezeten, haar schat bewaakte.

Amolé of zoutcake van Ethiopië (weegt ongeveer 100 tot 900 gram, 20 tot 25 cm). Vandaag nog steeds in gebruik.

Amolé of zoutcake van Ethiopië (weegt ongeveer 100 tot 900 g, 20 tot 25 cm). Vandaag nog steeds in gebruik.

Tijdens de kolonisatie van Kongo door België onder koning Leopold II kwamen de Belgen in contact met een maatschappij die zeer intensief zout als betaalmiddel gebruikte. Zelfs na de officiële invoering van de Belgische frank in 1887 bleef het zout in circulatie. De Kongolezen stonden immers sterk weigerachtig tegenover de nieuwe munten en hielden liever vast aan hun oude geldmiddelen, zoals het zout. Zij gebruikten ook een speciale techniek om zout te bewaren. Zo wikkelden ze zoutstaven in bananenbladeren om ze beter te beschermen. Hierbij werden de uiteinden wel onbedekt gelaten zodat men er aan kon likken. De persoon die een zoutstaaf kreeg moest immers kunnen controleren of het wel een echte zoutstaaf was. Net zoals wij tegenwoordig onze eurobiljetten beveiligen met watermerken en hologrammen, zochten de Kongolezen naar eigen beveiligingssytemen. Kongolese zoutstaven kregen verder verschillende namen mee, afhankelijk van de taal van de producent. Zo had de dibanga of dibanda een wisselkoers van 1 dibanga tegen 20 Belgische frank in 1929 (waarbij dibanga en dibanda synoniemen voor zout zijn).

En vandaag? Behalve als smaakstof wordt zout op dit moment nog voor veel andere toepassingen gebruikt. De moderne zoutindustrie telt er wel 14 000, waaronder het vervaardigen van geneesmiddelen, het ontdooien van wegen in de winter, bemesten, zeepfabricage, het ontharden van water en het verven van stoffen. De waarde van zout verschilde uiteraard in tijd en plaats, afhankelijk van de afstand tot de mijnen en ontginningsplaatsen, van de productiekosten, … De waarde ervan kon zo soms zeer hoog oplopen. Het zout in de Sahara geeft hier een duidelijk voorbeeld van. Toen de befaamde Marokkaanse reiziger Ibn Battuta (1356) de Sahara doorkruiste naar Timboektoe merkte hij op dat “de zwarten zout gebruiken in hun transacties zoals goud en zilver wordt gebruikt door alle anderen”.

Na verloop van tijd ontstond de legende dat men er goud tegen een gelijk gewicht in zout verhandelde. De respectieve handelaars legden hun zout en goud tegenover elkaar, en het bieden verliep als volgt: door goud bij de stapel te leggen verhoogde men de prijs, en dit ging zo door tot beiden tot een overeenkomst kwamen. Dit is verkeerdelijk geïnterpreteerd, in zoverre zelfs dat men geloofde dat zout dezelfde waarde had als goud. Zout was dus niet “zijn gewicht in goud waard” , maar de waarde ervan valt alleszins nog moeilijk te ontkennen!

Thomas Wieme
 Museumgids

Bron:

  • Kurlansky Mark, Salt, A world History, New York, Walker and Company, 2002, 484 p.