De gouverneurs van de Nationale Bank van België  Share

De persoon die de leiding heeft over de Nationale Bank van België draagt de titel van gouverneur. De eerste zaal van het museum werd tot 1953 gebruikt als zijn kantoor. Sinds de oprichting van de Bank in 1850 hebben 21 mannen deze functie bekleed en, de een al meer dan de ander, hun stempel gedrukt op deze instelling. Deze maand besteedt de ‘In de kijker’ aandacht aan de hoogste instantie van de Bank en aan de mannen die in de loop der geschiedenis dit ambt hebben bekleed.

De gouverneur leidt de Nationale Bank, zit zowel het Directiecomité als de Regentenraad voor, vertegenwoordigt de Bank in rechte en zorgt dat beslissingen worden uitgevoerd. Sinds de invoering van de euro zetelt de gouverneur ook in de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank en neemt er deel aan de beslissingen in verband met het Europese monetaire beleid. Het mandaat van de gouverneur loopt vijf jaar en kan worden hernieuwd. Hij wordt aangesteld door de koning en moet de Belgische nationaliteit hebben. Een Koninklijk Besluit van 14 oktober 1937 heeft de leeftijdsgrens voor het mandaat vastgelegd op 67 jaar. Voordien kon een gouverneur zetelen tot zijn dood ; sommige gouverneurs bereikten dan ook de respectabele leeftijd van 85 jaar.

Het oude bureau van de gouverneur, in gebruik tot 1953

Het oude bureau van de gouverneur, in gebruik tot 1953

Een gouverneur van de Nationale Bank van België blijft gemiddeld iets minder dan acht jaar op post. De eerste gouverneur François‑Philippe de Haussy bleef het langst op post. Hij stond bijna twintig jaar, van 1850 tot 1869, aan het hoofd van de Bank. Het kortste mandaat duurde slechts vier maanden en werd van 16 juli tot 27 november 1941 bekleed door Albert Goffin. Zijn aanstelling was omstreden. Bij de dood van Georges Janssen verbleef de Belgische regering in ballingschap in Londen. De aanstelling van Goffin gebeurde niet door het gevluchte landsbestuur maar door Oscar Plisnier, de secretaris-generaal van Financiën. Deze werd echter niet goedgekeurd door de regering, die iemand anders, namelijk Georges Theunis, op 27 november 1941 als gouverneur aanduidde. Theunis was reeds als ambassadeur aangesteld met een speciale missie in de Verenigde Staten. Hij verdedigde dus de belangen van de Bank in het buitenland, terwijl Albert Goffin op post bleef in Brussel en de biljetten die door de Bank tijdens de oorlog werden uitgegeven gewoon bleef ondertekenen.

Tot 1957 verbleven alle gouverneurs, met uitzondering van Georges Theunis, met hun gezin in het Hotel van de gouverneur dat met zijn kantoor was verbonden. Dit was echter niet voor allemaal een aangenaam gevolg van hun functie ; André‑Eugène Pirson, bijvoorbeeld, vergeleek het Hotel met een ‘vaste tombeau’, een grote graftombe (Courrier de Bruxelles, 31 december 1881). De laatste gouverneur die er woonde, was Maurice Frère. Sindsdien doet het Hotel enkel dienst als officiële residentie en ontvangstruimte.

Een lijstje van 21 namen

Portret van de eerste gouverneur, François-Philippe de Haussy

Portret van de eerste gouverneur, François-Philippe de Haussy

Bij de oprichting van de Nationale Bank werd François-Philippe de Haussy als eerste gouverneur voorgedragen door Hubert Frère-Orban, minister van Financiën in 1850. De Haussy, een Henegouws zakenman en jurist, was daarvoor als minister van Justitie al enkele jaren een collega van Frère-Orban. Alle begin is moeilijk : de Bank kreeg te maken met verschillende problemen, want deze moest zichzelf als nieuwe instelling goed weten te positioneren in België en moest de nodige onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid zien te vinden. De nauwkeurigheid, standvastigheid en vaardigheden van de Haussy, maakten van hem een modelgouverneur. Na zijn dood duurde het dan ook zes maanden om een geschikte opvolger te vinden. Uiteindelijk werd gekozen voor Eugène Prévinaire, die lange tijd als vicegouverneur had gewerkt onder de Haussy.

Tot op vandaag kent de Nationale Bank in totaal 21 gouverneurs : François-Philippe de Haussy (1850-1869), Eugène Prévinaire (1870-1877), André-Eugène Pirson (1877‑1881), Alexandre Jamar (1882-1888), Eugène Anspach (1888-1890), Victor Van Hoegaerden (1891-1905), Théophile de Lantsheere (1905-1918), Leon Van der Rest (1918-1923), Fernand Hautain (1923-1926), Louis Franck (1926‑1937), Georges Janssen (1938-1941), Albert Goffin (16 juli-27 november 1941), Georges Theunis (1941‑1944), Maurice Frère (1944-1957), Hubert Ansiaux (1957-1971), Robert Vandeputte (1971-1975), Cecil De Strycker (1975-1982), Jean Godeaux (1982-1989), Alfons Verplaetse (1989-1999), Guy Quaden (1999‑2011) en Luc Coene (2011-).

Sommige van deze persoonlijkheden wisten hun stempel te drukken op de Belgische geschiedenis. Maurice Frère is er een van ; hij werd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op 7 november 1944 tot gouverneur benoemd. Hij steunde het plan van minister Camille Gutt om over te gaan tot een geldsanering om zo het land te vrijwaren van een desastreuze inflatie zoals sommige landen hadden gekend na de Eerste Wereldoorlog.  Zo was hij van groot belang voor het herstel van de Belgische economie. Maurice Frère wordt dan ook geprezen voor zijn hardnekkigheid die leidde tot een geslaagde poging om de munt te stabiliseren. Tijdens zijn bestuursperiode, die tot dertien jaar na het einde van de oorlog zou duren, speelde de Nationale Bank een grote rol. Dit in tegenstelling tot het eerder zwakke figuur dat de Bank sloeg in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. De toenmalige gouverneur Fernand Hautain, ondernam in 1925 samen met minister van Financiën Albert-Edouard Janssen vergeefse pogingen om de Belgische frank te stabiliseren.

Maurice Frère, de veertiende gouverneur aan zijn bureau. © Cover van het weekblad Le face à main, 3 augustus 1946

Maurice Frère, de veertiende gouverneur aan zijn bureau. © Cover van het weekblad Le face à main, 3 augustus 1946

Hoewel vrijwel alle gouverneurs universitaire studies hebben afgerond, bestaat er toch ook een uitzondering. Fernand Hautain die op zijn twintigste als eenvoudig klerk in het agentschap van de Nationale Bank in Nijvel begon, wist na een 36-jarige carrière het hoogste ambt te bereiken. Tot in de late 19de eeuw droegen de meeste gouverneurs de liberale stempel, net zoals Frère-Orban. Théophile de Lantsheere, wiens portret ook in zaal 1 hangt, werd in 1905 de eerste gouverneur uit de katholieke stroming en was daarenboven de eerste Vlaming in dit ambt. In 1914 werd hij door de Duitse bezetter gedwongen zijn functie neer te leggen, omdat de Nationale Bank een bron van verzet vormde. Het was namelijk zo dat de Lantsheere weigerde de goud- en zilvervoorraden en de deviezen van de Bank over te dragen aan de Duitse bezetters. De afstraffing van deze weerstand betekende onder andere de toekenning van het alleenrecht om biljetten uit te geven aan de Société Générale. Pas na de oorlog kreeg de Nationale Bank al haar bevoegdheden terug en werd Leon Van der Rest, na tien jaar te hebben gewerkt als directeur, aangesteld als nieuwe gouverneur. Hij is te zien op het grote groepsportret in zaal 1, zittend aan de linkerkant.

Het is een traditie dat een portret van elke gouverneur, geschilderd door een kunstenaar naar keuze, aan een galerij wordt toegevoegd. Zo koos Alfons Verplaetse voor schilder Roger Raveel en deed Guy Quaden een beroep op Luikenaar Jacques Charlier voor de vervaardiging van hun portretten. Het volgende portret dat aan de galerij zal worden toegevoegd, is dat van Luc Coene, die de functie van gouverneur vervult sinds 1 april 2011.

Laurie DE MARÉ
Museumgids

Bibliografie

  • JANSSENS V., De beheerders van ons geld. Negentien gouverneurs van de Nationale Bank van België, 1997.
  • KAUCH P., Les gouverneurs de la Banque nationale de Belgique: 1850-1941, 1951-1963.
  • PLUYM W. (coörd.), Het hotel van de gouverneur van de Nationale Bank van België, 1995.