Het Belgische goud in vreemde handen  Share

Het schip A4

Het schip A4

In de tweede helft van de jaren dertig nam de oorlogsdreiging steeds sterker toe. Hitler was aan de macht gekomen in 1933 en dat veroorzaakte spanningen op internationaal vlak. België voelde zich dan ook genoodzaakt om zowel haar goudvoorraad als andere waarden te evacueren. Het schaalmodel dat achteraan in zaal 3 van het museum staat, toont het schip A4 dat de waardevolle kluisinhoud van de verschillende NBBagentschappen in mei 1940 naar Engeland bracht. Ook de Belgische goudvoorraad moest veilig in het buitenland ondergebracht worden. Het goudtransport ging echter minder vlot dan verwacht en het Belgische goud maakte dan ook een aantal omzwervingen.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bezat België ongeveer 600 ton goud. Daarvan werd 200 ton naar Engeland en 200 ton naar de Verenigde Staten en Canada gebracht. De rest van het goud bleef in België om de wettelijke dekkingsverplichtingen van de bankbiljetten na te komen. Eind 1939-begin 1940 namen de internationale spanningen nog verder toe en toenmalig minister van Financiën Camille Gutt besloot om ook het laatste goud weg te halen en toe te vertrouwen aan de Banque de France.

De odyssee van het Belgische goud

De odyssee van het Belgische goud

198 ton verdeeld over 4944 kisten werd vanuit de haven van Oostende naar Bordeaux en Libourne gebracht, waar het in kelders van de Banque de France bewaard zou worden. Zo bevond zich op het ogenblik van de Duitse invasie op 10 mei 1940 nog slechts een beperkte hoeveelheid goud in de kluizen van de Nationale Bank.

Sneller dan voorzien rukten de Duitse troepen op naar Frankrijk. Begin juni 1940 verwittigde de Banque de France de Franse admiraliteit over de aanwezigheid van het Belgische goud dat zo snel mogelijk overzee moest gebracht worden. De marine bracht het goud naar de dichtstbijzijnde oorlogshaven, Lorient, waar de kisten op de hulpkruiser Victor – Schoelcher werden ingescheept. Aanvankelijk zou het schip het goud naar de Verenigde Staten brengen, maar het bereikte zijn bestemming nooit. Op 28 juni 1940 meerde het schip aan in de haven van Dakar in Frans koloniaal gebied. Het goud kwam 65 kilometer verder op een militaire basis in Thiès terecht. De regio lag echter te dicht bij zee en de vrees voor invasies was dan ook groot. Daarom oordeelden de Franse koloniale autoriteiten dat het goud landinwaarts moest worden vervoerd. Ze transporteerden het naar Kayès, midden in de Sahara, 500 kilometer van Dakar vandaan.

Het schip

Het schip

De Nationale Bank was echter niet opgezet met het feit dat Frankrijk tegen haar uitdrukkelijke wil het goud niet naar de Verenigde Staten had gestuurd. Hubert Ansiaux, die in Londen de belangen van de Nationale Bank behartigde, stelde op 16 september 1940 de Franse centrale bank dan ook in gebreke. Dit haalde aanvankelijk echter niet veel uit. Integendeel, Frankrijk en Duitsland bereikten eind 1940 in het kader van wapenstilstandbesprekingen een overeenkomst. Daarbij stelde Frankrijk het Belgische goud als zoenoffer ter beschikking van de Duitse Reichsbank. Onder druk van de Franse eerste minister Pierre Laval, die van de Duitsers tegenprestaties (de vrijlating van Franse krijgsgevangenen) verwachtte, stemde de Banque de France tegen wil en dank in met de overdracht van het goud.

Het goud werd van Midden-Afrika naar Algiers en vandaar naar Marseille gebracht.
Daarna bracht de Reichsbank het goud per spoor naar Berlijn waar het in de kelders werd opgestapeld. Het goudtransport liep niet van een leien dakje en kon pas afgerond worden in mei 1942. Het was vrij duidelijk dat de Fransen niet bepaald loyaal meewerkten. Nadat het goud in de kelders van de Reichsbank was opgestapeld, werd het in beslag genomen door de afgevaardigde voor het Duitse vierjarenplan, Hermann Göring. Daarna werden alle goudstaven in de Pruisische Staatsmünze omgesmolten. Als waarmerk gebruikten de nazi’s de jaartallen 1936 en 1937. Op die manier wilde men de indruk wekken dat het om goud van vooroorlogse origine ging.

Ondertussen bleef België niet bij de pakken zitten en spande regent Georges Theunis op 5 februari 1941 in New York een proces aan tegen de Banque de France om een deel van het Franse goud op te eisen. Er volgde een lange procedureslag en uiteindelijk kon er pas in april 1943 worden gepleit. Toch verdaagde de rechtbank de uitspraak omdat de Fransen door de oorlog geen getuigen konden oproepen of stukken konden voorleggen. Uiteindelijk werd er in oktober 1944 een akkoord bereikt waarbij de Banque de France de Nationale Bank integraal vergoedde. Het proces werd op dat ogenblik stopgezet.

In april 1945 troffen de Amerikaanse troepen in een zoutmijn nabij het Thüringse stadje Merkers een enorme schat aan: kunstwerken, roofbuit van de SS, maar ook een goudvoorraad waaronder nog een deel van het goud van de Nationale Bank. Daarenboven werd ook de goudadministratie van de Reichsbank er teruggevonden. Op die manier kon nauwkeurig worden nagegaan welke weg het geroofde Belgische goud had afgelegd. De Duitsers hadden het goud vooral gebruikt om harde valuta in handen te krijgen. Zo konden ze in Spanje, Portugal en Zweden grondstoffen en onderdelen voor de wapenindustrie aankopen. Het goud dat de geallieerden in Duitsland vonden, werd verzameld in een fonds waaruit de claims van de gedupeerde landen door de Tripartite Commission for the Restitution of Monetary Gold werden gehonoreerd. Onder druk van de geallieerden stortten ook neutrale landen, zoals Zwitserland, edelmetaal in het fonds. De Nationale Bank diende namens de Franse centrale bank eveneens een schadeclaim in. De Banque de France kreeg uiteindelijk nog ongeveer 130 ton, en recupereerde op die manier een deel van haar financiële verlies.

Leen Bultinck
Museumgids

Bibliografie :

  • Buyst E. & Maes I. (e.a.), De Bank, de frank en de euro: anderhalve eeuw Nationale Bank van België, Tielt, Lannoo, 2005, 141-148.