Het oudste Belgische papiergeld (1837-1850)  Share

 In 1830 was België het meest geïndustrialiseerde land van het continent. In de periode 1830-1848 financierde een zeer beperkt aantal banken de Belgische industriële revolutie. Elk van hen bezat het emissierecht of het recht om papiergeld uit te geven.

De « Oude Dame » en haar rivale

Lithografie van Vieille Montagne ca. 1850 door A. Maugendre

Lithografie van Vieille Montagne ca. 1850 door A. Maugendre

Bij zijn onafhankelijkheid kende België slechts één financiële instelling van belang: de Société Générale. Haar volledige naam, “Société Générale pour favoriser l’industrie nationale” verwijst naar haar hoofdtaak, het bevorderen van de nationale industrie. Deze “Oude Dame” was in 1822 in Brussel opgericht op initiatief van Willem I. Het duurde tot 1837 vooraleer de Belgische overheid aan de Société Générale de toelating gaf om haar biljetten in gulden te vervangen door nieuwe biljetten in Belgische frank.

Ondertussen had de bank er een geduchte concurrent bij: de Banque de Belgique die in 1835 door Charles de Brouckère (1796-1860), de latere Brusselse burgemeester, was opgericht. Ook de Banque de Belgique investeerde handenvol geld in de industriële expansie van het piepjonge België. En ook zij maakte hierbij volop gebruik van haar emissierecht. De nominale waarde van het oudste Belgische papiergeld is bijzonder hoog : er werden coupures van 1.000, 500, 100, 50 en 40 frank uitgegeven. Ter vergelijking : het  gemiddelde dagloon van een volwassen mannelijke arbeider schommelde in die periode tussen 50 centiem en 2,5 frank. De eerste Belgische bankbiljetten werden dus enkel door de banken zelf en door hun vermogende cliënteel gebruikt, als depositobewijs en als krediet- en betaalmiddel. Maar ook het vertrouwen van de vermogende burgers in het nieuwe geld bleek wankel. Geen van beide banken wou de biljetten van de andere aan haar loketten aanvaarden, wat op zich reeds de opkomst van het fiduciaire geld belemmerde.

Tot tweemaal toe, in 1838 en in 1848, zorgde een politieke en economische crisis bovendien voor een ‘run’ op beide grootbanken. Spaarders haalden massaal hun tegoeden weg of eisten de uitbetaling van hun biljetten in klinkende munt. De overheid moest ingrijpen en de gedwongen koers werd afgekondigd. Dit verklaart waarom beide banken in 1848 ook biljetten van een kleinere waarde, 20 frank (Société Générale) en van 5 frank (beide banken) hebben uitgegeven.

Ondertussen in de provincie

Ook kleinere banken investeerden in de industriële vennootschappen uit hun regio en maakten bij hun transacties gebruik van bankbiljetten die ze zelf uitgaven. In Wallonië was dit het geval met de Banque Liégeoise die in 1835 werd gesticht. Omdat de coupures van de Banque Liégeoise bijna niet buiten de provincie Luik in omloop waren, behielden ze het karakter van een regionaal en zelfs lokaal betaalmiddel. De Vlaamse tegenhanger was de Banque de Flandre, die omwille van haar Gentse hoofdzetel ook Banque Gantoise werd genoemd.

Deze bank wilde voor Vlaanderen dezelfde rol vervullen als de Banque Liégeoise deed voor de streek van Luik. Kort na haar oprichting in 1841, begon ook deze instelling papiergeld uit te geven. Niet voor lang echter, want de crisis van 1848 was uiteraard ook buiten Brussel merkbaar. Het was duidelijk dat het land nood had aan een centrale bank die een einde moest maken aan de wildgroei van bankbiljetten en die bij een financiële crisis de stabiliteit kon handhaven. Onderhandelingen van de overheid met de Société Générale, de Banque de Belgique en de Banque de Flandre leidden ertoe dat ze alle drie afstand deden van hun emissierecht en dat de Nationale Bank in 1850 werd opgericht. Alleen de Banque Liégeoise gaf nog biljetten uit tot in 1875. Daarna kwam ook hieraan een einde en waren enkel nog de biljetten van de Nationale Bank in omloop.

5 frankbiljet van de Banque Liégeoise

5 frankbiljet van de Banque Liégeoise

Twee biljetten van 5 frank in de kijker

In zaal 4 van het museum kun je twee biljetten van 5 Belgische frank zien die respectievelijk door de Banque de Belgique en door de Banque Liégeoise zijn uitgegeven. Op het biljet van de Banque de Belgique lees je onderaan rechts de naam van de auteur van het biljet, I. Jouvenel (1773-na 1851), graveerder van munten, medailles en prenten. Hij nam zowel de tekening als de gravure van de typografische drukplaat voor zijn rekening. Op het biljet staat naast de naam van de bank, de waarde, de vermelding van de betaalbaarheid op zicht en de functies van de ondertekenaars, ook nog volgende laconieke vermelding gedrukt: “De kas is open van 10 tot 3 uur”. Dit zet de inwisselbaarheid van het biljet nog eens extra in de verf. Bij aanbieding kon het in principe ingewisseld worden tegen een zilverstuk van 5 frank. Het nummer van het biljet is er tweemaal met de hand op geschreven en niet minder dan 4 personen hebben het ondertekend. De belangrijkste handtekeningen zijn deze van François Anspach (1784-1858), de bestuurder met de functie van schatbewaarder en Louis Deswert (1795-1864), directeur. Deze laatste zou in 1850 de eerste vice-gouverneur van de Nationale Bank worden. Het biljet is niet gedateerd, maar stamt met zekerheid uit de periode 1848-1850. Het is op de keerzijde afgestempeld met een fiscale zegel en het komt uit een soucheboekje ; wie goed toekijkt leest de gehalveerde naam van de bank in schoonschrift op het strookje.

5 frankbiljet uitgegeven door de Banque de Belgique

5 frankbiljet uitgegeven door de Banque de Belgique

Het papier heeft een groene kleur. We weten dat de Banque de Flandre haar papier in Frankrijk kocht bij de Papeterie du Marais, maar het is niet zeker of de Banque de Belgique dezelfde leverancier had.

Het briefje van 5 frank van de Banque Liégeoise draagt al evenmin een datum. Opvallend is hier de grotere zorg die aan het ontwerp is besteed. De artistieke ontwerpersfunctie is gesplitst; de tekening werd toevertrouwd aan de Franse schilder A.H. Cabasson (1814-1884), waarna graveur L. Massey aan de slag ging. In opdracht van de Banque de France ontwierp dit duo ook de coupure van 100 francs, type 1862 “indices bleus”.

De 5 frank van de Banque Liégeoise oogt kunstzinniger dan de 5 frank van de Banque de Belgique. De compositie maakt gebruik van twee personages: het zijn putti of kinderfiguren die dankzij hun attributen kunnen geïdentificeerd worden als de gerechtigheid en de nijverheid, twee fundamentele pijlers van de jonge Belgische staat. Ook hier prijken vier handtekeningen waaronder deze van J.-H. Demonceau (1791-1856), één van de stichters van de bank. Het papier is sepia- en bruinkleurig. Ook dit biljet komt uit een soucheboekje en draagt een fiscale zegel op de keerzijde. Het tekstpaneel onderaan verwijst naar de levenslange dwangarbeid voor valsmunters. De volledige naam van de bank luidt: Banque Liégeoise et Caisse d’Epargnes. Ook de andere privé-emissiebanken hadden een spaarkas en trokken deposito’s aan die ze dan in de industrie investeerden, maar ze vermeldden dit niet expliciet in hun naam.

Marianne Danneel
Museumcoördinator